Burgerlijke rechter gebonden aan oordeel bestuursrechter over geldigheid besluit, maar niet aan feitenvaststellingen bestuursrechter

In het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (Minister van Financiën / Vereniging VEB NCVB, Stichting Beheer SNS Reaal e.a.)1 gaf de Hoge Raad een belangrijk oordeel over de reikwijdte van de leer van de formele rechtskracht. De Hoge Raad oordeelde dat de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend dat besluit betreft en niet de uitspraak van de bestuursrechter. Naar aanleiding van het arrest is de aandacht vooral uitgegaan naar de door de Hoge Raad in dit arrest geschetste uitgangspunten voor schadeloosstelling bij onteigening ex artikel 6:8-6:10 van de Wet op het financieel toezicht, als gevolg waarvan het oordeel met betrekking tot de formele rechtskracht enigszins onderbelicht is gebleven. Nu het hof Arnhem-Leeuwarden op 9 augustus jl. een arrest heeft gewezen waarin het hof het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 20 maart 2015 heeft toegepast, zal ik in deze blog ingaan op dit arrest en de hierin toegepaste rechtsregel met betrekking tot de formele rechtskracht.

Feiten

De onderhavige procedure betreft een geschil tussen de curator in het faillissement van Stichting Jenaplanonderwijs ‘De Regenboog’ (de “Stichting”) en de gemeente Stichtse Vecht (de “Gemeente”). Kort gezegd komt het geschil tussen partijen neer op de vraag of het faillissement van de Stichting verhindert dat de eigendom van het schoolgebouw en de grond waarop de school staat, nadat die niet meer voor het beoogde doel worden gebruikt, op grond van artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) teruggaan naar de Gemeente (het ‘economisch claimrecht’). In de onderhavige kwestie heeft de curator zowel via de bestuursrechtelijke2 als de civielrechtelijke3 weg getracht haar gelijk te halen.

Bestuursrechtelijke procedure

Gedeputeerde Staten (“GS”) besluiten op grond van artikel 110 lid 2 WPO dat de Stichting blijvend heeft opgehouden het schoolgebouw en het terrein voor de school te gebruiken. De curator gaat tevergeefs tegen dit besluit in bezwaar en beroep.

Civiele procedure

Parallel aan de bestuursrechtelijke procedure maakt de curator een civiele procedure aanhangig. Zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof in de hoger beroepsprocedure oordelen dat het faillissement van de Stichting en de Faillissementswet aan de toepasselijkheid van artikel 110 WPO niet in de weg staan. Als gevolg van de inschrijving van de uitspraak van de Afdeling in de openbare registers heeft de Gemeente de eigendom verkregen van de school en de grond.

Hof Arnhem-Leeuwarden: rechtsgeldigheid eigendomsverkrijging kan civiel worden getoets

In het incidenteel hoger beroep beroept de Gemeente zich op de niet-ontvankelijkheid van de curator in haar vordering omdat, kort gezegd, voor dit geschil een bijzondere, bestuursrechtelijke rechtsgang zou bestaan die naar het oordeel van de Gemeente exclusief zou moeten worden gevolgd.

Het hof deelt het standpunt van de Gemeente niet en oordeelt (in r.o. 5.2) dat de vorderingen van de curator in de onderhavige procedure strekken tot vaststellingen “die tot de taak van de civiele rechter behoren en geen geschillen die aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd”.

Het hof overweegt vervolgens in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter als volgt: “De bestuursrechter immers kan (…) slechts oordelen over de rechtmatigheid van het besluit van GS (…). In de tussen partijen over deze kwestie bij de bestuursrechter gevoerde procedure stond dan ook enkel de rechtmatigheid van dat besluit van GS ter discussie. Dat dit uiteindelijk heeft geleid tot de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers en daarmee mogelijkerwijs tot eigendomsverkrijging door de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 110 lid 4 WPO, maakt dat niet anders. Immers, de curator betwist nu juist de rechtsgeldigheid van die eigendomsverkrijging op grond van civiel- en faillissementsrechtelijke bepalingen. Het staat haar vrij dat in een civielrechtelijke procedure te laten toetsen.

Hof Arnhem-Leeuwarden: reikwijdte formele rechtskracht

In vervolg op het voorgaande gaat het hof in op de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de beslissing van de bestuursrechter meebrengt dat de civiele rechter aan (de gevolgen van) die beslissing is gebonden. Ten aanzien hiervan overweegt het hof (in r.o. 5.3) dat de uitspraak van de bestuursrechter meebrengt dat het besluit van GS (dat inhoudt dat de Stichting blijvend heeft opgehouden het gebouw en het terrein voor de school te gebruiken) “zowel wat betreft zijn inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen in overeenstemming is. (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1802, NJ 2011/89). Dat besluit heeft daarmee formele rechtskracht gekregen”.

Vervolgens overweegt het hof (in r.o. 5.3): “De formele rechtskracht betreft dus uitsluitend dat besluit, niet de uitspraak van de bestuursrechter. Het beginsel van de formele rechtskracht brengt niet mee dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een kwestie die niet de geldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit.” Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015.4 De stellingen van de Gemeente dat de bestuursrechter al heeft geoordeeld over de vraag naar de eigendom van de school, dat door inschrijving van de uitspraak van de Afdeling de eigendom al is overgegaan naar de Gemeente en dat dat in de civiele procedure niet kan worden teruggedraaid, deelt het hof dan ook niet.

Voor de praktijk is het goed om voor ogen te houden dat de burgerlijke rechter op grond van de leer van de formele rechtskracht weliswaar is gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de geldigheid van het besluit, maar niet aan de inhoudelijke overwegingen (c.q. feitenvaststellingen) van de bestuursrechter die daaraan ten grondslag liggen.