Het Gerecht bevestigde onlangs het oordeel van de Commissie dat, anders dan in de bekende en vergelijkbare Preussen/Elektra zaak, een Duitse wet ter bevordering van duurzame energie (de EEG 2012) aangemerkt moet worden als staatssteun. Op grond van deze EEG 2012 wet verkrijgen energieproducenten van netbeheerders een vergoeding die boven de marktprijs ligt (de Productiesteun). Die vergoeding wordt bekostigd door een heffing die via leveranciers bij de eindgebruikers wordt geïnd. Sommige grootverbruikers krijgen minder doorberekend dan andere ondernemingen en verkrijgen zo een selectief voordeel (de Grootverbruikerssteun). Ondanks dat het mechanisme werkt op basis van handelingen van private ondernemingen is er toch sprake van staatssteun. Overigens acht de Commissie het overgrote deel van de verleende steun verenigbaar met de interne markt en derhalve niet concurrentievervalsend.

Het EEG 2012 mechanisme ziet er als volgt uit:

Click here to view the table.

Duitsland meende dat met de maatregel geen staatsmiddelen gemoeid zijn en dat derhalve geen sprake was van staatssteun.

Het Gerecht onderschrijft echter het oordeel van Commissie dat de EEG 2012 de overdracht van de financiële middelen regelt en bepaalt voor welke doeleinden deze middelen mogen worden gebruikt, zodat weldegelijk sprake is van staatsmiddelen. Verder beschouwt het Gerecht de prijstoeslag die de eindgebruikers betalen als een belasting voor de uitvoering van een door de staat vastgesteld beleid.

Het Gerecht licht toe dat het begrip staatsmiddelen functioneel dient te worden uitgelegd. Door een reeks aan verplichtingen voor de netbeheerders met betrekking tot de toepassing van de EEG 2012 – zoals (i) het aankopen van EEG-energie en het verkopen daarvan volgens de EEG 2012 voorwaarden, (ii) het berekenen, bekendmaken en innen van de EEG-heffing, (iii) het verdelen van de EEG elektriciteit, (iv) het corrigeren van de geïnde EEG-heffing en (v) het voeren van een aparte boekhouding – is feitelijk sprake van een overheidsconcessie. Immers, de middelen die met de EEG 2012 zijn gemoeid worden uitsluitend gebruikt voor publieke doeleinden zoals vastgesteld door de Duitse wetgever. De netbeheerders hebben niet de vrijheid om de geïnde middelen naar eigen goeddunken in te zetten. Het Gerecht oordeelt dat hiermee de overheersende invloed van de overheid vaststaat.

PreussenElektra

Het Gerecht gaat in het arrest uitgebreid in op de gelijkenissen en verschillen met de Duitse regeling die het onderwerp was van het arrest van het HvJEU van 2001 in de zaak PreussenElektra en waarin het HvJEU oordeelde dat geen sprake was van staatsteun. De oude regeling bevatte alleen de verplichting voor energiebedrijven om de meerprijs te betalen maar niet de methode van financiering van die verplichting. Anders dan de toenmalige regeling bevat de EEG 2012 – aldus het Gerecht – een uitdrukkelijke regeling voor de financiering van de prijstoeslag op duurzame elektriciteit door middel van een heffing aan eindverbruikers die kan worden gelijkgesteld met een belasting en waarvan de opbrengst uitsluitend mag worden aangewend voor de financiering van de EEG 2012.

Grootverbruikers

Met betrekking tot de Grootverbruikerssteun stelde Duitsland dat deze geen voordeel oplevert maar het nadeel van een hogere energieprijs (ten gevolge van de opwekking van EEG-elektriciteit) ten opzichte van andere lidstaten compenseert om zo het concurrentievermogen van Duitse grootverbruikers te behouden en de overgang naar hernieuwbare bronnen te bevorderen. Het Gerecht is echter van oordeel dat de begrenzing van de (doorberekening van de) EEG heffing wel degelijk een voordeel oplevert nu de EEG 2012 voorziet in een verlichting van lasten die normaal gesproken op het budget van de onderneming drukken. Het aanpassen van de mededingingsvoorwaarden in een bepaalde sector aan die in andere lidstaten ontneemt een maatregel niet het karakter van steun.

Het is interessant om te bezien welke consequenties de Nederlandse wetgever verbindt aan dit arrest met betrekking tot de korting (tot 90%) op transporttarieven die sinds 1 januari 2015 op grond van de Elektriciteitswet 1998 geldt voor nationale bijzondere grootverbruikers. Tijdens de behandeling van dat wetsvoorstel werd al gezinspeeld op mogelijke staatssteun-elementen maar deze werden door de Minister ondergeschikt gemaakt aan hetzelfde argument dat de Duitse regering aanvoerde met betrekking tot de benarde concurrentiepositie van de nationale industrie.