Veel corporaties zijn nu bezig met de vraag of zij administratief of juridisch zullen gaan scheiden. Dit zijn echter niet de enige twee mogelijkheden. Voor veel corporaties kan de hybride scheiding een aantrekkelijke mogelijkheid zijn.

De hybride scheiding is een variant op de administratieve scheiding. Bij een hybride scheiding wordt het DAEB- en niet-DAEB bezit administratief gescheiden. Tegelijkertijd wordt er een BV opgericht (of blijven de bestaande BV's bestaan). De door de corporatie gehouden aandelen in deze vennootschappen behoren tot de administratieve niet-DAEB tak.

Met het niet-DAEB bezit van de toegelaten instelling kan bij een hybride scheiding op verschillende wijzen worden omgegaan, bijvoorbeeld:

  • Bestaand niet-DAEB bezit blijft eigendom van de toegelaten instelling, nieuw niet-DAEB bezit wordt ontwikkeld binnen de dochtervennootschappen;
  • Een deel van het bestaande niet-DAEB bezit wordt door de toegelaten instelling overgedragen aan de dochtervennootschap(pen). Het andere bezit blijft eigendom van de toegelaten instelling. Niet-DAEB nieuwbouw vindt plaats binnen de dochtervennootschap(pen); of
  • Een deel van het bestaande niet-DAEB bezit wordt door de toegelaten instelling overgedragen aan de dochtervennootschap(pen). Het andere bezit blijft eigendom van de toegelaten instelling. Niet-DAEB nieuwbouw wordt verdeeld over de toegelaten instelling en de dochtervennootschap(pen).

Bij de verdeling dient in acht te worden genomen dat de financiële continuïteit in beide takken in dezelfde mate is gewaarborgd. Voor het overige is een corporatie vrij in haar voorstel aan de minister hoe zij de niet-DAEB activiteiten wil verdelen over de niet-DAEB tak en de dochtervennootschappen.

Maar waarom zou een toegelaten instelling deze optie willen doorvoeren? Welke voordelen zijn er? Wij zien als grootste voordeel dat een toegelaten instelling voor de toekomst flexibiliteit behoudt. Bij toekomstige activiteiten mag een corporatie kiezen of zij dit in de niet-DAEB tak van haar toegelaten instelling onderbrengt of in de aparte vennootschap. Beide opties hebben voor- en nadelen, te weten:

  • er is geen toestemming van de minister vereist voor nieuwe niet- DAEB activiteiten van de dochtervennootschap(pen);
  • de ruimere financieringsmogelijkheden voor niet-DAEB activiteiten bij een administratieve scheiding blijven behouden.

Daarnaast heeft de genoemde oplossing onder meer als voordelen:

  • de dochtervennootschap hoeft geen rekening te houden met passend toewijzen;
  • de bestaande concernstructuur kan grotendeels in stand blijven;
  • de dochtervennootschap is niet gehouden tot het aanbesteden van maatschappelijk vastgoed;
  • er is geen mogelijkheid voor de minister om tot het gebieden van de verkoop van de aandelen van de dochtervennootschappen over te gaan.