Op 1 april 2015 is het Besluit experimenten opwekking decentrale elektriciteitsopwekking in werking getreden (“Experimentenbesluit”)[1]Dankzij het Experimentenbesluit kan tijdelijk ontheffing worden verkregen van regels uit de Elektriciteitswet 1998 (“E-wet”). Zo kan worden onderzocht of andere regels moeten gelden voor de lokale opwekking van duurzame energie. De komende vier jaar kunnen ontheffingen worden aangevraagd. Binnenkort kunnen de eerste ontheffingsaanvragen worden ingediend.

Achtergrond

Door technische ontwikkelingen wordt het voor consumenten steeds aantrekkelijker om lokaal duurzame elektriciteit op te wekken. Daardoor gaan de rollen van consument en producent vaker door elkaar lopen. Het Experimentenbesluit maakt het mogelijk om de rollen van consument en producent op grotere schaal met elkaar te combineren. De gedachte achter het Experimentenbesluit is dat een flexibeler toepassing van de regels uit de E-wet kan leiden tot meer energiebewustzijn, minder netverlies (door consumptie in nabijheid van productie) en een betere afstemming van vraag en aanbod (met als resultaat besparingen op onderhoud en vervangingsinvesteringen in het net).

Het Experimentenbesluit maakt onderdeel uit van de wetgevingsagenda STROOM. Deze wetgevingsagenda beoogt een stroomlijning en modernisering van de E-wet en de Gaswet[2]. Het Experimentenbesluit is ook een uitwerking van de afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Energieakkoord.[3] De grondslag voor het Experimentenbesluit is te vinden in artikel 7a E-wet.

Twee soorten experimenten

Het Experimentenbesluit maakt twee soorten experimenten mogelijk.

Grote experimenten

Allereerst de ‘grote experimenten’. Grote experimenten kunnen zijn gericht op maximaal 10.000 afnemers – de schaal van een wijk of een dorp. Minimaal 80% van de afnemers binnen de grote experimenten moeten bestaan uit consumenten. Maximaal 20% kan bestaan uit andere kleinverbruikers. Het doel van de grote experimenten is om vraag en aanbod van elektriciteit bij levering van decentraal opgewekte duurzame elektriciteit te optimaliseren. Hierbij kan worden gedacht aan technische vernieuwingen zoals voorzieningen voor de opslag van elektriciteit of speciale ICT-oplossingen. Ook kan worden gedacht aan specifieke tariefsystemen waarmee aanpassing van de energievraag aan het (decentraal opgewekte) aanbod wordt beloond (vraagsturing). De regionale netbeheerder blijft in de grote experimenten in principe zijn wettelijke taken vervullen (aansluiting van afnemers en transport van elektriciteit).

Projectnetten

Het tweede type experiment behelst de zogeheten ‘projectnetten’. Daardoor wordt het mogelijk om de gehele elektriciteitsvoorziening (opwekking, levering, distributie en gebruik) in handen van één organisatie te leggen. Dat maakt een integrale bedrijfsvoering mogelijk. Projectnetten moeten een bijdrage leveren aan de lokale opwekking van duurzame energie. De projectnetten moeten in handen zijn van een coöperatie of vereniging van eigenaren. Projectnetten mogen maximaal 500 afnemers hebben. Dit moeten vooral consumenten zijn. Een projectnet heeft maximaal één aansluiting op het net van een regionale netbeheerder. Het projectnet lijkt op een gesloten distributiesysteem, een particulier netwerk waarop in beginsel alleen zakelijke afnemers mogen zijn aangesloten[4]. Het projectnet creëert dus de mogelijkheid dat op particuliere netten consumenten zijn aangesloten. Net als bij een gesloten distributiesysteem moeten afnemers die zijn aangesloten op een projectnet de mogelijkheid behouden om een eigen energieleverancier te kiezen.

Alternatieve tarieven

Het Experimentenbesluit maakt het mogelijk om af te wijken van de wettelijke aansluit- en transporttarieven. De tarieven die openbare netbeheerders in rekening brengen aan afnemers worden vooraf vastgesteld door de Autoriteit Consumenten en Markt (“ ACM”). De tarieven die de afnemers in de experimenten betalen worden volgens een andere systematiek vastgesteld. De ACM zal niet de tarieven zelf vaststellen, maar alleen de methode waarmee de tarieven worden bepaald. Dit betekent onder meer dat de tarieven transparant moeten zijn en een afspiegeling moeten vormen van de werkelijke kosten die gepaard gaan met het beheer van het net.[5]

Wie komen in aanmerking?

De experimenten moeten zijn gericht op consumenten en andere kleinverbruikers.

Ontheffingen kunnen daarom alleen worden aangevraagd door verenigingen van eigenaars en coöperatieve verenigingen van consumenten en andere kleinverbruikers. De vereniging krijgt automatisch een leveringsvergunning op de grond van de E-wet. De vereniging mag alleen leveren aan de leden van de vereniging.

Duur experimenten en selectieprocedure

De ontheffingen voor de experimenten hebben een geldingsduur van 10 jaar. Deze termijn kan worden verlengd, afhankelijk van levensduur van de componenten waarin ten behoeve van het experiment is geïnvesteerd.

De ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische Zaken. De bedoeling is om de komende vier jaar voor grote projecten en projectnetten steeds tien experimenten mogelijk te maken. Ontheffingen voor kleine experimenten worden verleend op volgorde van binnenkomst. Als meer dan tien aanvragen per jaar voor grote experimenten worden ingediend, wordt voorrang gegeven aan de experimenten die het meeste rendement lijken op te gaan leveren, bijvoorbeeld voor wat betreft de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit of de verlaging van de netbelasting.

Bij ministeriële regeling wordt bekendgemaakt wanneer ontheffingsaanvragen kunnen worden ingediend. Deze regeling is nog niet gepubliceerd maar de verwachting is dat de ontheffingen in mei 2015 kunnen worden aangevraagd. Na vier jaar zal het Experimentenbesluit worden geëvalueerd.

Wilt u meer weten over het Experimentenbesluit? Neem dan contact op met Michelle de Rijke of Jos Webbink.