Op het moment dat een bestemmingsplan ouder wordt dan 10 jaar vervalt de bevoegdheid om leges te heffen van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan (zie artikel 3.1 lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Over de strekking en reikwijdte van dit legesverbod worden verwoede discussies gevoerd (zie daarover mijn eerdere blog van 18 december 2015). Jurisprudentie die de gewenste duidelijkheid zou moeten bieden, is nu mondjesmaat aan het verschijnen. Onlangs sprak het Hof Den Haag zich over deze kwestie uit naar aanleiding van de door een gemeente in rekening gebrachte leges voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.

Hoofdregel: legesverbod treft de gehele aanvraag om omgevingsvergunning

Het Hof Den Haag is kort en krachtig in zijn overwegingen over de strekking en reikwijdte van het legesverbod. De hoofdregel is, aldus het Hof, dat het in behandeling nemen van een aanvraag om omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst is. Is dus sprake van een bestemmingsplan dat ouder is dan 10 jaar, dan heeft dat in beginsel tot gevolg dat de bevoegdheid tot het heffen van leges is vervallen voor alle door of vanwege de gemeente verrichte werkzaamheden bij de behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning. Het Hof hanteert daarmee een ruime uitleg voor het begrip “diensten die verband houden met het bestemmingsplan”.

Deze door het Hof gehanteerde ruime uitleg wordt in de literatuur niet als vanzelfsprekend ervaren. Uit de literatuur volgt namelijk veeleer dat men er bij de constatering dat sprake is van een aanvraag om omgevingsvergunning nog niet is. De vervolgstap is namelijk, dat nog moet worden bezien welke specifieke diensten verband houden met het bestemmingsplan. Uit artikel 2:10 lid 1 Wabo volgt immers “niet voor niets” dat de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning zich uitstrekt tot a) het Bouwbesluit, b) de Bouwverordening, c) het bestemmingsplan, d) de welstand en/of e) de tunnelveiligheid. Alleen ten aanzien van de toetsing aan het verjaarde bestemmingsplan zou het legesverbod gelden. De toetsing aan de overige genoemde regelgeving valt daar niet onder (zie ook: J.W. van Zundert, Gst. 2013/21). Duidelijk mag zijn dat het Hof Den Haag de door de literatuur voorgestane enge(re) interpretatie niet volgt. De rechtbank Noord-Holland deed dat in de uitspraak van 4 december 2015 overigens wel.

Uitzondering: maak onderscheid tussen de verschillende toetsingsgronden in de legesverordening

Bij een hoofdregel horen uitzonderingen. Een mogelijke uitzondering heeft het Hof in rechtsoverweging 8.3 alvast geformuleerd. Het legesverbod zou namelijk niet gelden als de in artikel 2:10 lid 1 Wabo genoemde toetsingsgronden in de legesverordening als aparte belastbare diensten worden aangewezen. Is dat gebeurd, dan is het heffen van leges wel mogelijk voor a) het Bouwbesluit, b) de Bouwverordening, d) de welstand en/of e) de tunnelveiligheid. Verdergaande differentiatie in de legesverordening zou dus kunnen lonen.

Voorkom legesverbod door tijdig actie te ondernemen

Het legesverbod voorkomen blijft beter dan genezen. Om die reden verdient het hoe dan ook aanbeveling om het bestemmingsplan op tijd te actualiseren. Lukt dat om de een of andere reden niet (tijdig), dan verdient het, gelet op de hier besproken uitspraak van het Hof, aanbeveling om de in artikel 2:10 lid 1 van de Wabo genoemde toetsingsgronden in de legesverordening als aparte belastbare diensten aan te wijzen. Het legesverbod treft dan in ieder geval niet meer de gehele aanvraag om omgevingsvergunning.

De hiervoor besproken uitspraak van het Hof zal overigens niet de laatste uitspraak zijn die verschijnt over de strekking en reikwijdte van het legesverbod. De kwestie zal – vermoedelijk – uiteindelijk door de Hoge Raad moeten worden beslecht. Tot die tijd moeten we het doen met de lijnen die door de hoven en rechtbanken zijn – en nog worden – uitgezet.