De geplande invoering van de Omgevingswet in 2018 staat bij de meeste decentrale overheidsorganisaties inmiddels helder op het netvlies. Voor dezelfde periode staat echter ook de inwerkingtreding van een andere wet met belangrijke gevolgen op het programma. Met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen wordt de rol van het bevoegd gezag in het bouwproces in verstrekkende mate omgevormd. Welke veranderingen staan er voor uw organisatie op het programma? In dit stuk leest u de hoofdlijnen van de wetswijziging.

De markt als verantwoordelijke

Als directe aanleiding voor de aanstaande wetswijziging wordt gewezen op de onduidelijkheid die met het huidig stelsel gepaard gaat. De verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit is momenteel tweedelig. Enerzijds wordt het bouwplan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning verstrekt en door het bevoegd gezag – in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders – getoetst aan de normen uit onder meer het Bouwbesluit 2012 en de lokale bouwverordening. Anderzijds kent de bouwsector van oudsher zelf een uitgebreid stelsel van kwaliteitsborgen; de regering wijst in dat verband onder meer op de rol van de architect als bouwmeester en het namens de opdrachtgever aanwezige toezicht. Deze kwaliteitsborgen zijn volgens haar bij veel marktpartijen echter sterk uitgekleed, aangezien de toets van het bouwplan in het kader van de omgevingsvergunning reeds als 'kwaliteitsgarantie' zou gelden. Deze toets kan echter niet de benodigde waarborgen bieden, onder meer doordat afdelingen bouw- en woningtoezicht in veel gemeenten onder invloed van een uitbreidend takenpakket steeds verder zijn uitgekleed. De roep om een nieuwe impuls voor de private kwaliteitsborging klinkt dan ook al langer.

In het nieuwe stelsel vervalt de inhoudelijke toets van het bevoegd gezag aan bouwtechnische voorschriften. In plaats daarvan wordt de bouwsector zelf primair verantwoordelijk voor het waarborgen van de kwaliteit. Van marktpartijen wordt straks verwacht dat zij beoordelingsmethoden van bouwwijzen ontwikkelen ('instrumenten voor kwaliteitsborging'). Deze dienen zij in bij de onafhankelijke 'toelatingsorganisatie', een met de wet op te richten zelfstandig bestuursorgaan dat deze methoden toetst aan de wettelijke eisen. De ontwikkelaar van het instrument (de 'instrumentbeheerder') is na toelating verantwoordelijk voor het toezicht op de toepassing ervan. In dat kader wijst hij partijen aan ('kwaliteitsborgers') die toestemming krijgen het instrument toe te passen. Indien nodig kan een instrumentbeheerder – ook tijdens de bouw – de toestemming intrekken.

Zowel instrumenten als kwaliteitsborgers worden door de toetsingsorganisatie opgenomen in een register. Voor de opdrachtgever is het zaak uit dit register een geschikt instrument en een kwaliteitsborger uit te kiezen. Daarbij moet hij bovendien rekening houden met de 'gevolgklasse' waarbinnen een bouwwerk valt, hetgeen afhankelijk is van de zwaarte van de veiligheidsrisico's die met de bouw van het bouwwerk gepaard gaan.

Het bevoegd gezag op afstand

Het bouwproces komt er onder het nieuwe stelsel in hoofdlijnen als volgt uit te zien. Bij de vergunningaanvraag wordt het bevoegd gezag op de hoogte gebracht van de gevolgklasse  waarbinnen het bouwwerk valt, het instrument waarvan gebruik wordt gemaakt en (uiterlijk vóór de start van de bouw) de kwaliteitsborger die die het project zal uitvoeren. Op hem rust de taak de geschiktheid hiervan te controleren, waarbij hij gebruik maakt van het register van de toelatingsorganisatie. De toets is dan ook niet inhoudelijk; een beoordeling in het kader van bouwtechnische voorschriften – bijvoorbeeld uit het Bouwbesluit 2012 – komt er niet langer aan te pas. Op het moment dat de gereedmelding van het bouwwerk wordt ingediend, overlegt de vergunninghouder daarbij een verklaring van de kwaliteitsborger dat het bouwwerk naar zijn oordeel voldoet aan de geldende bouwtechnische voorschriften.

Indien het bevoegd gezag, op basis van de bij de gereedmelding verstrekte gegevens of bijvoorbeeld doordat iemand hem daar op wijst, het vermoeden heeft dat er iets mis is, kan het de ingebruikname opschorten. Komt de vergunninghouder niet met een voldoende geruststellende reactie, dan meldt het bevoegd gezag dit aan de toelatingsorganisatie en de instrumenthouder. Deze voeren de inhoudelijke toets uit en kunnen zo nodig de toelating van het instrument of de toestemming aan de kwaliteitsborger intrekken. Wordt één van deze acties ondernomen, dan handelt de vergunninghouder in strijd met de vergunningvoorschriften en kan het bevoegd gezag tot handhavend optreden overgaan.

Planning

Tot voor kort was de verwachting dat het definitieve wetsvoorstel nog dit voorjaar aan de Tweede zou Kamer worden toegezonden. Tijdens een Kamerdebat over bouwregels op 16 maart jl. kondigde minister Blok echter aan dat een toezending op korte termijn niet haalbaar is. Naar eigen zeggen heeft hij te maken met "allemaal hysterische bouwlobbyisten", die zijn werk er niet eenvoudiger op maken. Een nieuwe termijn noemde hij overigens niet.

De regering gaat uit van een gefaseerde inwerkingtreding. Als het wetgevingstraject geen al te grote vertragingen oploopt, zal de toelatingsorganisatie per 1 januari 2017 worden opgericht. Vanaf dat moment kunnen door marktpartijen instrumenten worden ingediend. Een jaar later volgt dan de daadwerkelijke inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, te beginnen met bouwwerken in de laagste gevolgklasse.