Op 19 mei 2016 publiceerde de Europese Commissie (“EC“) de definitieve versie van de notitie over het begrip staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“Notitie“). Deze notitie is een leidraad om te bepalen wanneer overheidsuitgaven al dan niet binnen de reikwijdte van de Europese staatsteunregels vallen.

De Notitie vormt het sluitstuk van het initiatief van de EC om het staatssteunrecht te moderniseren. De EC beoogt daarmee de rechtszekerheid te vergroten en illegale overheidsinvesteringen te voorkomen. Al in 2014 bracht de EC een concept van de Notitie uit. Deze Notitie helpt Lidstaten en ondernemingen te identificeren welke overheidsinvesteringen staatssteun vormen.  Zij verduidelijkt de verschillende bestanddelen van het begrip staatssteun: gaat het om (i) aan de overheid toerekenbare, (ii) met overheidsmiddelen gefinancierde steun, die een (iii) onderneming begunstigt op (iv) een niet-marktconforme wijze, (v) selectief is (namelijk alleen verstrekt aan één onderneming of een bepaalde groep ondernemingen) en tevens (vi) invloed heeft op de mededinging en het Europese handelsverkeer? Daarnaast wordt ingezoomd op steun in bepaalde sectoren (bijvoorbeeld steun aan infrastructurele voorzieningen als vliegvelden) met meer gedetailleerde richtlijnen.

Als de publieke investering staatssteun vormt, dan moet deze eerst worden aangemeld bij en goedgekeurd door de EC, tenzij het binnen de werkingssfeer van een vrijstellingsregeling valt. Een voorbeeld van dat laatste is de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarover wij eerder schreven. De EC kan de aangemelde staatsteun verenigbaar met de interne markt achten. Indien de EC de staatsteun verenigbaar acht met de interne markt, kunnen Lidstaten de bewuste investering doen. De staatssteun kan echter ook onverenigbaar met de interne markt worden verklaard. In dat geval is de overheidsinvestering niet toegestaan. De Notitie gaat overigens niet in op de vraag onder welke voorwaarden staatsteun verenigbaar is met de interne markt.

In de Notitie worden, zoals gezegd, bepaalde sectoren en categorieën steun in meer detail besproken. In vergelijking met de conceptnotitie van 2014, heeft de EC bijvoorbeeld toegevoegd:

  • Hoofdstuk 7 bevat specifieke verduidelijkingen over de infrastructuur. Zo valt de financiering van infrastructuur, aldus de EC, niet onder de reikwijdte van staatsteun wanneer de infrastructuur niet direct concurreert met andere infrastructuur van hetzelfde soort. Dit is bijvoorbeeld het geval vooralgemene infrastructuur, zoals wegen, spoorwegen, binnenwateren en afvalwaternetwerken. Daarentegen is specifieke infrastructuur, bijvoorbeeld luchthavens of havens, vaak wel in concurrentie met vergelijkbare infrastructuur en vormt financiering ervan in beginsel staatssteun.
  • Paragraaf 2.6. bespreekt steun ten behoeve van cultuur en instandhouding van het erfgoed, met inbegrip van steun aan natuurbehoud. Overheidsinvesteringen op dit gebied zijn geen staatsteun indien de culturele instelling of activiteit toegankelijk is voor het grote publiek en een geldelijke bijdrage van de bezoekers slechts een fractie van de werkelijke kosten dekt. Vereist is echter wel dat indien de betrokken organisatie economische activiteiten verricht dat deze activiteiten niet van de staatssteun profiteren.
  • Paragraaf 5.4.3. verduidelijkt wanneer belastingafspraken een selectief voordeel geven aan (een groep) bedrijven. De EC doet sinds 2013 onderzoek naar de conformiteit van dergelijke afspraken met het staatssteunrecht. Eerder schreven wij over het besluit van de EC in de Starbucks-zaak.

De Notitie is een gedetailleerde en nuttige leidraad voor zowel Lidstaten als bedrijven.