Bijna anderhalf jaar geleden is de Warmtewet – na een langdurig traject – in werking getreden. Gelijktijdig met de Warmtewet zijn het Warmtebesluit en de Warmteregeling van kracht geworden.

Doelstelling van de wet is het beschermen van afnemers van warmte (voor bijvoorbeeld te hoge tarieven en door het garanderen van leveringszekerheid). Met het oog daarop voorziet de Warmtewet in bepaalde verplichtingen voor leveranciers van warmte. De bescherming werd noodzakelijk geacht omdat warmtenetten niet onderling met elkaar zijn verbonden, zoals wel het geval is bij elektriciteits- en gasnetten. Hierdoor kunnen afnemers van warmte niet overstappen naar een andere leverancier. Het toepassingsbereik van de Warmtewet is echter beperkt tot kleinverbruikers. Dit zijn afnemers, zoals consumenten en midden- en kleinbedrijven, met aansluitingen tot en met 100 Kilowatt.

De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) is belast met het toezicht op de Warmtewet. Onderdeel hiervan is het jaarlijks vaststellen van het maximumtarief voor de levering van warmte aan eindgebruikers. Voordat de Warmtewet in werking trad gaf branche-organisatie Energie-Nederland, op basis van het Niet-Meer-Dan-Anders principe, tariefadviezen voor de levering van warmte aan kleinverbruikers.

Ontwikkelingen op wetsniveau

Al sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet ontvangt ACM naar eigen zeggen signalen dat de wet niet aansluit op de praktijk (ook bij het meldpunt van de Woonbond zijn diverse signalen ontvangen). Onder meer naar aanleiding hiervan heeft de minister van Economische Zaken aangekondigd de Warmtewet op diverse punten te willen wijzigen. Zo wil de minister VvE’s – die beschikken over hun eigen warmtevoorziening – uitzonderen van de verplichtingen van de Warmtewet en het toepassen van correctiefactoren toestaan. Met die correctiefactoren kan onder meer het verschil in verbruik door een ongunstige ligging van een appartement worden gecompenseerd en kunnen de leidingverliezen worden omgeslagen. De minister heeft ACM verzocht al proactief rekening te houden met de voorstellen in haar toezicht.

ACM heeft daarnaast aangekondigd een onderzoek te zullen starten naar de Warmtewet en meer in het bijzonder naar het Niet-Meer-Dan-Anders-principe. Dit principe houdt in dat consumenten die energie krijgen via een warmtenet niet duurder uit mogen zijn dan wanneer ze een gewone gasaansluiting hadden gehad. ACM betwijfelt of dit in de praktijk ook zo werkt. ACM vraagt zich bovendien af of duurzame warmtenetten wel rendabel kunnen zijn onder dit principe.

Mogelijk zal ACM’s onderzoek naar de financiële rendementen in de warmteleveringsmarkt in dit kader bruikbare informatie opleveren. Dit onderzoek is een wettelijke taak van ACM en strekt ertoe te inventariseren of op basis van de rendementen aanpassingen van de regelgeving nodig zijn. De rapportage van de uitkomsten wordt verwacht in september.

De minister heeft ook verklaard dat het kabinet wil stimuleren dat Nederlandse huizen en bedrijven minder door gas en meer door duurzame warmte en restwarmte worden verwarmd. Om deze verdere ontwikkeling van duurzame vormen van warmtelevering te bevorderen, gaat het kabinet de wet- en regelgeving voor warmtelevering hervormen. Zo wordt gewerkt aan een nieuw marktmodel voor onder andere warmtenetten, opdat de markt voor duurzame warmte meer gaat lijken op de markten voor elektriciteit en gas. Dit zou moeten bijdragen aan de leveringszekerheid en zou moeten zorgen voor een toekomstbestendige warmtevoorziening.

Ontwikkeling in de handhavingspraktijk van ACM

ACM heeft naast signalen ook handhavingsverzoeken ontvangen op grond van de Warmtewet. Vooralsnog heeft dit niet geleid tot concreet optreden door ACM. Zo verzocht recentelijk een consument ACM om handhavend op te treden tegen Eco-Maat Energie, de warmteleverancier in haar verzorgingsgebied. ACM heeft dit verzoek afgewezen. De reden hiervoor is dat ACM zich op twee punten niet bevoegd acht. Ten aanzien van één punt constateert zij geen overtreding van Eco-Maat en van de overige punten wordt door ACM gesteld dat zij onvoldoende zijn geconcretiseerd en dat nader onderzoek door ACM nodig zou zijn om vast te kunnen stellen of sprake is van strijd met de Warmtewet. ACM merkt op dat zij op grond van haar prioriteringscriteria geen voorrang aan dit onderzoek geeft en wijst het verzoek daarom af.

Eerder wees ACM ook het verzoek van bewoners van de wijk Hoogeland in Naaldwijk om handhavend tegen Vestia op te treden af. De reden voor afwijzing van de klacht was dat de temperatuur van het water op het moment van overdracht niet geschikt was voor huishoudelijke doeleinden. Dit leidde volgens ACM tot de conclusie dat er geen warmte werd overgedragen. Hierdoor was de Warmtewet überhaupt niet van toepassing.

Ondertussen laait ook de discussie over de interactie tussen de diverse energiewetten op. Zo oordeelde ACM recent dat de netbeheerder niet gehouden was in een gasaansluiting te voorzien omdat de woning van de aanvrager in een warmtegebied gelegen is. Dit punt was eveneens onderdeel van discussie in een procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in het kader van de Gebiedsindeling Gas.

De ontwikkelingen op wetsniveau laten zien dat de toekomst van de huidige versie van de Warmtewet op losse schroeven staat. De lange voorbereiding (het eerste wetsvoorstel dateert uit 2003) heeft er – naar nu blijkt – dus niet toe geleid dat de wet in de praktijk goed toepasbaar is. De discussie omtrent de Warmtewet zal dus voorlopig ook nog niet ten einde zijn. Gelet op deze ontwikkelingen is het ook zeer de vraag of ACM in het tweede jaar van de Warmtewet zal overgaan tot handhaving of dat zij wacht op de gereviseerde wet.