Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) kan een ieder bij een bestuursorgaan informatie opvragen over het handelen van de overheid. Het bestuursorgaan kan in dit kader een formulier vaststellen waarvan verzoekers gebruik kunnen maken bij het indienen van het verzoek. Uit een uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 volgt dat het verzoek echter niet buiten behandeling mag worden gelaten vanwege het niet gebruiken van een voorgeschreven formulier.

Achtergrond

Appellant heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar op grond van de Wob verzocht om verstrekking van een digitaal afschrift van “alle externe adviezen (incl. second opinions, etc.) rond de 1ste aanbesteding van het nieuwe gemeentehuis”. In reactie op het verzoek heeft het college appellant te kennen gegeven dat verzoeken op grond van de Wob slechts in behandeling worden genomen indien deze via het formulier ‘Verzoek Wet openbaarheid van bestuur’ zijn ingediend. Dit formulier dient naar zeggen van het college het ordelijk verloop van de behandeling van aanvragen. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld het verzoek alsnog door middel van dit formulier in te dienen.

In reactie op het college heeft appellant als volgt geantwoord: “Volgens de rijksoverheid is een Wob-verzoek vormvrij. Daarom handhaaf ik mijn Wob-verzoek van 1 juli jl. en verzoek ik u op dat verzoek alsnog tijdig een beslissing te nemen.” Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college het verzoek van appellant echter alsnog met toepassing van artikel 4:5 lid 1 Awb buiten behandeling gesteld omdat voor de indiening van het verzoek geen gebruik is gemaakt van het vastgestelde formulier.

Juridisch kader

Op grond van artikel 4:4 Awb kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 4:5 lid 1 onder a Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Oordeel Afdeling

Naar aanleiding van het betoog van appellant overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt van de Wob is dat een verzoek om informatie vormvrij is, in die zin dat de Wob geen formele eisen stelt aan de wijze waarop een verzoek wordt ingediend. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob (Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, p. 24) blijkt dat de wetgever geen drempels wilde opwerpen voor het indienen van Wob-verzoeken, omdat dit afbreuk zou doen aan de doelstelling van de Wob. Om die reden heeft de wetgever volgens de Afdeling niet voorgeschreven dat een verzoek schriftelijk moet worden ingediend.

De Afdeling vervolgt: “Het uitgangspunt dat een Wob-verzoek vormvrij is, verdraagt zich niet met de verplichting om een door het bestuursorgaan vastgesteld formulier te gebruiken voor de indiening van zo’n verzoek. Daarom is artikel 4:4 van de Awb niet van toepassing op Wob-verzoeken, ook al is dit niet uitdrukkelijk in de Wob bepaald. Een bestuursorgaan mag vanzelfsprekend een formulier vaststellen waarmee Wob-verzoeken kunnen worden ingediend, maar het gebruik daarvan mag niet verplicht worden gesteld. Een Wob-verzoek kan daarom ook niet wegens het niet gebruiken van het voorgeschreven formulier buiten behandeling worden gesteld.”

Verplicht gebruik van een formulier voor het indienen van Wob-verzoeken behoort kortom niet tot de mogelijkheden van gemeenten om de behandeling van Wob-verzoeken te faciliteren. De gemeente Zevenaar heeft het formulier mogelijk echter mede opgesteld ter voorkoming van het verbeuren van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op onopvallende Wob-verzoeken. De toepasselijkheid van de dwangsomregeling op Wob-verzoeken heeft dergelijke verzoeken in de hand gewerkt door het bestuursorgaan een dwangsom op te leggen in geval het niet tijdig beslist op het verzoek. Met de wetswijziging van de Wob per 1 oktober 2016 zou aan deze praktijken echter een einde dienen te komen. Met het vervallen van de toepassing van de dwangsomregeling, verdwijnen naar alle waarschijnlijkheid ook de op misbruik gerichte beweegredenen van verzoekers (zie in dit kader ook het recente blogbericht van Annemarie Drahmann en Niels Jak). De noodzaak van een formulier zoals hier aan de orde zal dan ook veel minder zijn.

Gegevens uitspraak

ABRvS 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2273

Zaaknummer 201506025/1/A3