Het komt regelmatig voor dat een bestuursorgaan en een bedrijf of burger afspraken maken over een bepaalde activiteit voordat de benodigde vergunning(en) worden verleend. Daar is niets mis mee. Sterker nog, vaak en zeker bij grote projecten, heeft zo’n overeenkomst grote voordelen. De inhoud van de afspraken moeten dan wel duidelijk en goed worden neergelegd in een overeenkomst en/of de vergunning. Ook moet tussen partijen geen enkel misverstand bestaan over de status van de overeenkomst, in het bijzonder de afdwingbaarheid van de gemaakte afspraken.

Dat dit in de praktijk nog wel eens mis kan gaan, blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:219). In deze uitspraken waren gemaakte afspraken zowel in een door het college van burgemeester en wethouders (college) verzonden brief als in een daarna verleende vergunning opgenomen. Nadat de afspraken werden geschonden, ging het college over tot intrekking van de vergunning. De Afdeling moest zich buigen over de vraag: mocht dit? Meer in het bijzonder: was sprake van schending van een privaatrechtelijke overeenkomst of van een vergunningvoorschrift?

De casus

In Dronten beschikt een exploitant al sinds 2001 over verschillende standplaatsvergunningen om een snackwagen te exploiteren. Uit de stukken blijkt dat het tussen de gemeente en de exploitant niet soepel loopt. Op 14 december 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders (“het college”) een brief opgesteld waarin gesteld wordt dat de exploitant “nog eenmaal de mogelijkheid” wordt geboden een standplaats in te nemen mits de exploitant akkoord gaat met de in die brief opgenomen voorwaarden. Op grond van deze afspraken moet de exploitant, naast een op de precarioverordening gebaseerde standplaatsvergoeding, ook €50,- per maand betalen ter aflossing van een schuld die de exploitant bij de gemeente heeft. In de brief staat verder: “de eerste keer dat u niet aan de betalingsverplichting voldoet vervallen alle afspraken tussen u en de gemeente en wordt de standplaatsvergunning ingetrokken.” Ten slotte staat in de brief: “Deze brief heeft derhalve het karakter van een overeenkomst tussen u en de gemeente, waarmee de spelregels tussen partijen duidelijk zijn.” De brief is ondertekend door het college (meer specifiek de loco-secretaris en de burgemeester) en de exploitant.

Op 30 januari 2012 (dus ongeveer zes weken na de brief) verleent het college een standplaatsvergunning. Deze vergunning is onherroepelijk geworden. In de vergunning is, naast een kopje “voorschriften”, een kopje “afspraken” opgenomen. Hierin staat: “Verder gelden de afspraken zoals genoemd in onze brief van 14 december 2011 (…). Deze brief is volledigheidshalve in kopie bijgevoegd. (…) Met u is afgesproken dat u de standplaatsvergoeding per maand verhoogd met de afgesproken aflossing (…). Met u is afgesproken dat zodra u aan uw financiële verplichting niet voldoet, u de standplaats in de maand daarop niet meer mag innemen. Alle afspraken met u komen dan te vervallen en de standplaatsvergunning wordt vervolgens ingetrokken.”

De exploitant voldoet niet aan de betalingsverplichting waarna bij brief van 5 april 2013 de overeenkomst wordt opgezegd. In die brief staat: “Hierdoor vervalt ook de aan u verleende vergunning (…) met ingang van de verzenddatum van deze brief.”

De exploitant gaat in bezwaar, beroep en vervolgens hoger beroep tegen deze brief waarbij de vergunning is ingetrokken (hoewel er veel valt te schrijven over het verschil tussen ‘verval’ en ‘intrekking’ van een vergunning, laat ik dat hier maar buiten beschouwing).

Het college legt aan de intrekking van de vergunning ten grondslag: het niet nakomen van aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Dit is één van de intrekkingsgronden uit de APV van Dronten.

De rechtbank verklaart het beroep van de exploitant ongegrond, omdat de betalingsverplichting als een aan de vergunning verbonden voorschrift moet worden beschouwd.

De Afdeling oordeelt in hoger beroep anders. Volgens de Afdeling vormen de afspraken in de brief een privaatrechtelijke overeenkomst en is het vermelden van deze afspraken in de vergunning “een herinnering” aan deze overeenkomst, hetgeen ook blijkt uit het onderscheid tussen de kopjes “voorschriften” en “afspraken” in de vergunning. De Afdeling oordeelt daarom dat dat het college ten onrechte de vergunning heeft ingetrokken.

Vijf tips voor het sluiten van een overheidscontract naast een vergunning

Over deze uitspraak valt veel te schrijven. Binnenkort zal van mij een annotatie in de AB verschijnen bij deze uitspraak waarin ik onder meer in ga op de (meer theoretische) vraag wat voor soort overeenkomst partijen gesloten hebben. In dit blogbericht volsta ik met een aantal praktische tips voor een ieder die een overeenkomst met of namens de overheid sluit voorafgaand aan de verlening van een vergunning:

  1. Leg de inhoud en aard van de gemaakte afspraken duidelijk neer in zowel de overeenkomst als de vergunning neer.
  2. Benoem een ‘verplichting’ in een vergunning ook expliciet als voorschrift en niet, zoals in deze uitspraak, als ‘afspraak’.
  3. Volsta in een vergunning niet met een verwijzing naar een eerder gesloten overeenkomst als het de bedoeling is om een gemaakte afspraak als vergunningvoorschrift op te nemen.
  4. Vermeld duidelijk in de overeenkomst wat voor soort overeenkomst het is. Is sprake van een zuiver privaatrechtelijke overeenkomst (bijvoorbeeld over grondgebruik)? Of is sprake van een bevoegdhedenovereenkomst, waarin afspraken worden gemaakt over het gebruik van een bevoegdheid door de  overheid, zoals het verlenen van een vergunning?
  5. Denk na over wie namens de overheid partij is bij de overeenkomst: is dat het bestuursorgaan (dat de vergunning moet gaan verlenen) en/of de gemeente (als grondeigenaar)?