Het bewijs dat een dwangsom verbeurd is, moet worden geleverd door het bevoegd gezag. Derden kunnen het bestuursorgaan niet helpen bij het verzamelen van dit bewijs. Dat volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016.

Als een bestuursorgaan weigert een verbeurde dwangsom in te vorderen, kunnen belanghebbenden het bestuursorgaan verzoeken om ook daadwerkelijk tot invordering over te gaan. Hoewel het uitgangspunt is dat bij een verbeurde dwangsom tot invordering overgegaan moet worden, kunnen er goede redenen zijn om niet aan de wens van derden om in te vorderen gehoor te geven. Bijvoorbeeld omdat het bestuursorgaan van mening is dat de dwangsom niet verbeurd is, of niet kan bewijzen dat de dwangsom verbeurd is.

Maar wat nu als het bestuursorgaan van mening is dat er geen dwangsom is verbeurd en degene aan wie de last is opgelegd de verbeurte betwist? Kan de belanghebbende, bijvoorbeeld een oplettende buurman, dan zelf het bewijs leveren dat de dwangsom is verbeurd? Bijvoorbeeld door het maken van foto’s? Of moet een belanghebbende dan maar accepteren dat de bevoegdheid tot invordering mogelijk verjaart?

Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016 blijkt dat het bewijs in beginsel niet geleverd kan worden door belanghebbende. Het bewijs moet namelijk geleverd worden door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. De vraag rijst daarbij in hoeverre de tendens van privatisering van toezicht zich hiertoe verhoudt. Al eerder verscheen op Stibbeblog een blog over de grenzen daarvan.

Hoe zat het ook alweer met het bewijs bij invorderingsbeschikkingen?

Als er een last onder dwangsom is opgelegd en de begunstigingstermijn verstreken is, verbeuren de dwangsommen van rechtswege. Veelal zal degene die de dwangsommen heeft verbeurd echter niet vrijwillig over gaan tot betaling. Onder andere om die reden zal het bestuursorgaan daarom een invorderingsbeschikking nemen.

Aan een invorderingsbeschikking moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. De Afdeling oordeelde dit al in een uitspraak van 13 november 2013 en bevestigt dit (nogmaals) in de uitspraak van 24 februari 2016. Op grond van deze jurisprudentie moet het bewijs moet voldoen aan in ieder geval de volgende eisen:

Waarneming van feiten en omstandigheden door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift moet de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming bevatten. In het geschrift moet een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze worden opgenomen. In het geschrift moet een inzichtelijke beschrijving van wat is waargenomen worden opgenomen. Het geschrift moet ondertekend zijn door de opsteller en voorzien zijn van een dagtekening. Als het geschrift in een digitaal systeem is opgemaakt en ondertekening ontbreekt, moet het bestuursorgaan anderszins aantonen op welke datum de deskundige medewerker het geschrift heeft vastgesteld. Niet aan de eisen voldaan; wat dan?

De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 24 februari 2016 dat zij al eerder oordeelde dat het niet volledig voldoen aan alle in de uitspraak van 13 november 2013 genoemde vereisten, niet in alle gevallen betekent dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ontbreekt.

Het niet voldoen aan één van de hierboven opgenomen eisen betekent dus niet zonder meer dat het bestuursorgaan “af” is en de invorderingsbeschikking onderuit gaat. Wel brengt het bestuursorgaan zichzelf waarschijnlijk in een erg lastige bewijspositie. Uit de uitspraak van 24 februari 2016 en een eerdere uitspraak van 25 november 2015 blijkt dat ieder geval één eis wel keihard is: de eis dat de waarneming gedaan moet worden door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. Waarnemingen (maar ook foto’s en dergelijke) die niet door een medewerker van het bevoegd gezag zijn gedaan, kunnen niet als bewijs worden gebruikt.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 februari 2016

Zaaknummer: 201503107/1/A1

ECLI:NL:RVS:2016:469