Dostojevski wijdde er zijn beroemde roman aan, over de straatarme student die een pandjesbazin vermoordt, maar ook in ons alledaagse omgevingsrecht zijn schuld en boete niet weg te denken. In deze blog de vraag hoe om te gaan met de schuldvraag in handhavingszaken.

Aanleiding is een aantal recente Afdelingsuitspraken over handhaving bij grensoverschrijdend bouwen. In ABRvS 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:455) zag het college van Leudal af van handhavend optreden, hoewel het gerealiseerde bedrijfsgebouw iets langer, en de afstand van de woning tot de weg iets kleiner was dan vergund. In ABRvS 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3635) ging het om een iets te diepe uitbouw in Rotterdam. Zonder bouwvergunning gerealiseerd maar net niet vergunningvrij. Hoewel er geen klachten waren van buren en er een ruime tuin overbleef, legde het college een last onder dwangsom op tot afbraak van het te diep gebouwde. In ABRvS 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3885) ten slotte, was in Bergen op Zoom een woning op een iets kleinere afstand tot de woning van de buren gerealiseerd dan vergund. De buurman klaagde over hinder en overlast. Het college wees zijn handhavingsverzoek echter af.

Kunt u raden welke besluiten bij de Afdeling stand hielden?

Los van de uitkomst van de beroepen, de feitencomplexen in deze zaken vertonen aanzienlijke gelijkenissen:

  • het gaat om bouwen
  • in afwijking van een bouwvergunning
  • de afwijkingen zijn beperkt, maar niet verwaarloosbaar klein
  • de belangen van derden bij handhavend optreden zijn gering het terugbrengen van
  • het gebouwde in de vergunde toestand is (zeer) kostbaar

In al deze zaken onderkent de Afdeling dit ook. Zij vindt dat er weliswaar geen sprake is van overtredingen ‘van geringe aard of ernst’ maar legt uit dat ook in andere omstandigheden handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig kan zijn dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien (onder verwijzing naar ABRvS 20 februari 2008, nr. 200703164/1).

Hoe pakt deze evenredigheidstoets nu uit? Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat de belangenafweging in alle zaken in het voordeel van de bouwer uitvalt. Wie zeer hecht aan de beginselplicht tot handhaving zal daarentegen menen dat in al deze gevallen gewoon gehandhaafd moet worden. Zelfs is te beargumenteren dat alle besluiten bij de rechter onderuit moeten gaan. Immers, daar waar er een concrete aanleiding was om handhavend op te treden (een handhavingsverzoek) bleef het college op de handen zitten, terwijl in de Rotterdamse zaak, waar niemand klaagde over de iets te diepe uitbouw, het college kennelijk het adagium ‘geen woorden maar daden’ huldigde. Het is echter precies andersom: alle besluiten hielden (soms na een vernietiging in eerste aanleg) in hoger beroep stand.

Uit deze gedachtenoefening kun je allerlei conclusies trekken. Ik wil mij concentreren op de Rotterdamse zaak. Waarom moest deze uitbouwer boeten voor zijn wat ruime meetlat, terwijl de bouwers in Roggel (Leudal) en Bergen op Zoom met de schrik vrijkwamen? Wie de uitspraak van de Afdeling leest, zal zien dat het de Rotterdamse bouwer met name zwaar wordt aangerekend dat hij het risico heeft genomen om zonder bouwvergunning te gaan bouwen. Dit risico komt volgens de Afdeling voor zijn rekening, ook als de financiële gevolgen ervan zeer groot zijn. De Afdeling verdisconteert dus een schuldelement in de belangenafweging: wie zo brutaal is zonder vergunning te gaan bouwen, moet ook maar op de blaren zitten als het mis gaat, zo lijkt het.

Is dit een zuivere redenering, die rechtvaardige resultaten oplevert? Een last onder dwangsom (een reparatoire sanctie) is niet bedoeld om burgers te straffen voor hun fouten of slordigheden. Daarvoor hebben wij het strafrecht en in veel gevallen ook de bestuurlijke boete (een punitieve sanctie). Natuurlijk kan het college van Rotterdam nagegeven worden dat een stringent handhavingsbeleid zin heeft, ook in gevallen waarin belangen van derden niet in het geding zijn. Precedentwerking wordt zo voorkomen en bovendien gaat van handhavend optreden een preventief effect uit. Het probleem is echter dat een last tot afbraak van het illegaal gebouwde een ongenuanceerde uitkomst geeft. De hoogte van de financiële schade voor de bouwer staat volledig los van de mate van zijn schuld bij de overtreding. Mijns inziens zou het beter zijn als bestuur en rechter bij de belangenafweging omtrent het al dan niet vorderen van afbraak de eventuele schuld van de bouwer buiten beschouwing laten. Een passende reactie op opportunistisch bouwen moet tot uitdrukking komen in een bestraffende sanctie. Bij schuld een boete.