​​Op het moment dat een bestemmingsplan ouder wordt dan 10 jaar vervalt de bevoegdheid om leges te heffen van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan (zie artikel 3.1 lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Over de strekking en reikwijdte van dit legesverbod zijn de afgelopen jaren verwoede discussies gevoerd (zie daarover mijn eerdere blog​ van 9 augustus 2013). Jurisprudentie die de gewenste duidelijkheid zou moeten bieden, bleef echter tot op heden uit.

De rechtbank Noord-Holland heeft in de uitspra​ak​ van 4 december 2015 nu de eerste piketpaal geslagen:

"De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de leges voor de welstandscommissie en de bodemrapporten niet geheven c.q. ingevorderd zouden mogen worden. Deze kosten houden geen verband met het bestemmingsplan, maar met de esthetische aspecten van de aanvraag en de bodemgesteldheid."

Diensten die verband houden met het bestemmingsplan

De rechtbank Noord-Holland oordeelt aldus dat het legesverbod alleen geldt voor diensten die verband houden met het bestemmingsplan. Daaronder vallen volgens de rechtbank niet de leges die zijn geheven voor de welstandscommissie en de bodemrapporten, omdat die verband houden met de esthetische aspecten van de aanvraag en de bodemgesteldheid.

Een motivering op grond waarvan de rechtbank deze interpretatie van artikel 3.1 lid 4 Wro voorstaat, bevat de uitspraak helaas niet of nauwelijks. Aanknopingspunten voor deze interpretatie zijn echter wel te vinden in de wet en literatuur.

Zo volgt uit de literatuur dat bij de term 'diensten' vooral gedacht moet worden aan het in behandeling nemen van aanvragen om omgevingsvergunning. Bij een dergelijke aanvraag moet echter wel worden bezien welke specifieke diensten verband houden met het bestemmingsplan. Uit artikel 2:10 lid 1 Wabo volgt namelijk dat de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning zich uitstrekt tot a) het Bouwbesluit, b) de Bouwverordening, c) het bestemmingsplan, d) de welstand en/of e) de tunnelveiligheid.

Alleen ten aanzien van de toetsing aan het verjaarde bestemmingsplan geldt het legesverbod. De toetsing aan de overige genoemde regelgeving valt daar niet onder (zie ook: J.W. van Zundert, Gst. 2013/21). De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland is met deze opvatting in lijn.

Ook de wetsgeschiedenis sluit deze in de literatuur voorgestane opvatting niet uit. Daaruit volgt namelijk slechts dat leges voor omgevingsvergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied vanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet meer kunnen worden ingevorderd. Waar in de wetsgeschiedenis dus alleen wordt omschreven welke diensten wél onder het legesverbod vallen, laat die omschrijving onverlet dat de wetgever met artikel 3.1 lid 4 Wro uitsluitend de legesheffing die verband houdt met het bestemmingsplan voor ogen heeft gehad.

Oplettendheid is zeker nog vereist

Gezien het voorgaande lijkt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland dus in lijn te zijn met zowel de wetsgeschiedenis als de literatuur die tot nu toe is verschenen over de strekking en reikwijdte van het legesverbod. Aan de andere kant dient men zich er wel van bewust te zijn dat de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland nog maar de eerste is in een reeks van uitspraken (en hoger beroepen) die mogelijk nog gaan komen over de strekking van het legesverbod. Oplettendheid is dus nog vereist, zeker voor wat betreft de vraag welke diensten nu precies wel of niet kwalificeren als verband houdend met het bestemmingsplan.