Op 26 maart 2015 heeft het Hof van Justitie (HvJ) beslist dat lidstaten ook de live-uitzending van een sportevenement op het internet onder het uitsluitend recht tot ‘mededeling aan het publiek’ van omroeporganisaties mag laten vallen.[1] Onder die nationale wetgeving kunnen omroeporganisaties dergelijke live- uitzendingen verbieden.

In de onderhavige zaak hadden C More Entertainment AB en L. Sandberg een conflict omdat Sandberg (hyper)links op diens website had geplaatst die gebruikers doorstuurden naar de website, waarop de live-uitzendingen van ijshockeywedstrijden werden uitgezonden. Normaliter dienden de gebruikers te betalen voor het bekijken van de live-uitzendingen, maar door het gebruiken van deze links op de website van Sandberg, kon het betalen van de gevraagde vergoeding worden omzeild.

In eerste instantie waren meerdere vragen voorgelegd aan het HvJ en zou dit arrest een vervolg zijn op de (hyper)link-uitspraken in Svensson[2] en Bestwater[3], ware het niet dat de Högsta domstolen, de Zweedse Hoge Raad, de vragen omtrent het linken heeft ingetrokken. Gelukkig heeft onze eigen Hoge Raad vorige week prejudiciële vragen ingediend omtrent het linken naar een auteursrechtelijk beschermd werk dat zonder toestemming van de maker beschikbaar was gesteld.[4]

De vraag die in de C More zaak overbleef voor het HvJ was of onder het begrip ‘mededeling aan het publiek’ nou wel of niet het linken naar live-uitzendingen mag vallen. Immers, artikel 3 lid 2 onder d Auteursrechtrichtlijn[5] lidstaten legt ten aanzien van de naburige rechten van uitvoerende kunstenaars, filmproducenten, fonogrammenproducenten en omroeporganisaties slechts de verplichting op om wetgeving te implementeren die het uitsluitend recht geeft om het beschikbaar stellen van uitzendingen op een door het publiek individueel gekozen plaats en tijd toe te staan of te verbieden. Deze verplichting op het terrein van naburige rechten is specifieker dan de regels inzake het algemene auteursrecht. Ten aanzien van auteursrechthebbenden bevat artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn de verplichting om een exclusief recht van mededeling aan het publiek in algemene zin te introduceren, ‘met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.’ Het recht van beschikbaarstelling op een flexibel plaats en tijdstip maakt in het geval van auteursrechthebbenden dus onderdeel uit van een bredere harmonisatie van het recht van mededeling aan het publiek, terwijl omroeporganisaties als naburige rechthebbenden op basis van de Richtlijn slechts het specifieke recht van beschikbaarstelling op een door het publiek individueel gekozen plaats en tijd kunnen inroepen. Bij live-uitzendingen met een vooraf vastgelegd tijdstip rijst dus de vraag of naast dit specifieke recht nog verdere rechten van mededeling aan het publiek bestaan.

Naar nationaal Zweeds recht is het recht van omroeporganisaties ten aanzien van ‘mededeling aan het publiek’ niet beperkt tot beschikbaarstelling op een individueel gekozen plaats en tijd, dus on-demand, maar kunnen ook live-uitzendingen onder beschikbaar stellen aan het publiek vallen en kunnen omroeporganisaties dergelijke live-uitzendingen verbieden.

Het HvJ overwoog dat het niet de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om met de Auteursrechtrichtlijn de wetten in de verschillende lidstaten volledig te harmoniseren. Het was slechts de bedoeling om de wetgeving te harmoniseren voor zover dat noodzakelijk was voor de goede werking van de interne markt. Hiernaast overwoog het HvJ dat de Auteursrechtrichtlijn gebaseerd is op al bestaande beginselen en voorschriften in de intellectuele eigendomsrecht-richtlijnen, waardoor bijvoorbeeld richtlijn 2006/115/EG ook gebruikt kan worden om de Auteursrechtrichtlijn uit te leggen.

Het HvJ concludeerde dat uit richtlijn 2006/115/EG volgt dat lidstaten ook verder reikende bescherming mogen bieden om, ten behoeve van omroeporganisaties, te voorzien in het uitsluitende recht om de mededeling van hun uitzendingen aan het publiek toe te staan of te verbieden. Op grond daarvan heeft het HvJ beslist dat lidstaten ten aanzien van artikel 3 lid 2 onder d van de Auteursrechtrichtlijn ook een dergelijke verder reikende bescherming mogen bieden, mits bij de bescherming geen sprake is van gevolgen voor de algemene auteursrechtelijke bescherming.

Voor omroepen is deze uitspraak goed nieuws. Ze geeft nationale wetgevers in de EU ruimte om een breder recht van ‘mededeling aan het publiek’ te introduceren dat ook live-uitzendingen omvat. Ten gevolge van deze uitspraak zullen aanbieders van links naar live-sportevenementen wel moeten letten op desbetreffende verschillen in de nationale wetgeving van EU-lidstaten. Het aanbod van online diensten voor de gehele interne markt wordt dus niet noodzakelijkerwijs gemakkelijker.