De Afdeling bestuursrechtspraak accepteert geen flexibele verwijzing in de planregels naar vergunde depositieruimte onder de Natuurbeschermingswet 1998. In de planregels wordt voor een agrarisch bedrijf verwezen naar hetgeen is vergund onder de Natuurbeschermingswet 1998, maar niet specifiek naar de aan het bedrijf verleende vergunning. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening.

Planologisch vastleggen van een Nbw-vergund project

De gemeenteraad van de gemeente Losser heeft voor de realisatie van een akkerbouwbedrijf met een vleeskalverenhouderij een bestemmingsplan vastgesteld. Voor dit agrarisch bedrijf was eerder al een vergunning onder de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) verleend voor maximaal 1.200 vleeskalveren, waarbij ook een passende beoordeling was opgesteld. Voor het opnemen van het agrarische bedrijf in het bestemmingsplan was geen passende beoordeling gemaakt.

Geen passende beoordeling bij herhaling of voortzetting project

Op grond van de Nbw moet voor een bestemmingsplan met, kort gezegd, significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling worden gemaakt. Deze verplichting bestaat echter niet als het bestemmingsplan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor eerder een passende beoordeling is gemaakt en redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kunnen worden verkregen omtrent de significante effecten van het nieuwe bestemmingsplan.

Strijd met rechtszekerheid en systematiek Wro

De Afdeling bestuursrechtspraak acht hier geen sprake van een herhaling of voortzetting van een Nbw-vergund project. De passende beoordeling voor de Nbw-vergunning ging uit van maximaal 1200 vleeskalveren. De planregels zelf kennen echter geen maximering. Wel wordt in de planregels verwezen naar de vergunde depositie. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vervolgens vast dat de verleende Nbw-vergunning depositie toekent, maar dat in de planregels geen datum en kenmerk van de vergunning is opgenomen en daarmee niet duidelijk is om welke vergunning het gaat. De koppeling tussen planregels en de verleende vergunning was dan ook niet goed verzekerd..

De gemeenteraad stelt ter zitting dat een flexibele verwijzing was beoogd zodat de planologisch toegestane depositie wordt verhoogd na verlening van een nieuwe Nbw-vergunning. Een dergelijke planregel acht de Afdeling bestuursrechtspraak echter in strijd met de rechtszekerheid. Ook is deze regel in strijd met het systeem van de Wro zoals neergelegd in art. 3.1 Wro, aangezien met een flexibele verwijzing geen afweging kan worden gemaakt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan is namelijk onduidelijk van welke uitgangspunten moet worden uitgegaan, aangezien niet is te voorzien welke verandering gaan optreden in hetgeen vergund is.

Vanwege het voorgaande vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de planregel waarin wordt verwezen naar vergunde depositie, waarmee ook geen begrenzing meer bestaat ten aanzien van de omvang van het agrarisch bedrijf. Er is dan ook geen sprake van een herhaling of voortzetting van een vergund project en dus moet een passende beoordeling voor het bestemmingsplan worden opgesteld.

Flexibiliteit en rechtszekerheid

Met het oog op rechtszekerheid en de systematiek van de Wro vereist de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijkheid omtrent hetgeen met het bestemmingsplan thans wordt mogelijk gemaakt. Een toekomstige verandering van hetgeen is vergund, kan niet nu al planologisch worden toegestaan. Enkel een duidelijke koppeling met de verleende vergunning is toegestaan. Weliswaar blijkt het niet uit de uitspraak, maar mogelijk speelt hier mee het strikte juridische regime van de Nbw. Aan de effectbeoordeling onder de Nbw worden immers strenge eisen gesteld, waaronder het opstellen van een passende beoordeling, waardoor terughoudend omgegaan dient te worden met mogelijkheden om deze beoordeling te omzeilen. Overigens is de toetsing aan de rechtszekerheid nog interessant in het licht van de Omgevingswet. Met het op grond van deze wet op te stellen omgevingsplan wordt namelijk meer flexibiliteit beoogd dan thans gebruikelijk is bij een bestemmingsplan onder de Wro. De vraag is dan ook of de wetgever hier nog nadere richting aan gaat geven dan wel hoe de Afdeling bestuursrechtspraak de flexibiliteit en de rechtszekerheid gaat afwegen bij de toetsing van omgevingsplannen.