Vandaag heeft de regering het Belastingplan 2017 en aanverwante wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer.

Een aantal onderdelen van deze wetsvoorstellen zijn mogelijk relevant voor u:

  1. Afschaffing pensioen in eigen beheer
  2. Aanpassing innovatiebox
  3. Maatregelen vrijgestelde beleggingsinstellingen
  4. Maatregelen afgezonderd particulier vermogen
  5. Afschaffing aftrek uitgaven monumentenpanden
  6. Btw-teruggaaf oninbare vorderingen
  7. Aanpassing definitie ‘bouwterrein’ aan Europese rechtspraak

Opgemerkt moet worden dat de diverse onderdelen nog kunnen worden gewijzigd tijdens de parlementaire behandeling.

Contact

Heeft u vragen over de onderdelen van de ingediende wetsvoorstellen, neem dan contact op met uw vaste adviseur van het Team Family Owned Business & Private Wealth.

Wij informeren u graag over de consequenties van deze voorgestelde wetgeving.

1. Afschaffing pensioen in eigen beheer

Het aan de directeur-grootaandeelhouder (‘DGA’) toegezegde pensioen, het zogenoemde pensioen in eigen beheer, staat al jaren ter discussie. De wetgeving omtrent het pensioen in eigen beheer wordt als complex ervaren, er zijn grote verschillen tussen de fiscale en commerciële waardering van pensioenverplichtingen en veel pensioen-BV’s kunnen het aan de DGA toegezegde pensioen niet of niet volledig uitkeren.

Om deze problemen aan te pakken heeft de regering vandaag het Wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (‘het Wetsvoorstel’) ingediend. Behoudens de afschaffing van het pensioen in eigen beheer per 1 januari 2017 bevat het Wetsvoorstel enkele belangrijke maatregelen, waaronder een fiscaal gunstige afkoopregeling en het oudedagssparen.

De fiscaal gunstige afkoopregeling houdt - kort gezegd - in dat, nadat het opgebouwde pensioen belastingvrij is afgewaardeerd van de commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde, tegen een heffing van maximaal 52% over 65,5% van de fiscale balanswaarde kan worden afgekocht in 2017. In 2018 wordt dit maximaal 52% over 75% van de fiscale balanswaarde en in 2019 wordt dit maximaal 52% over 80,5% van de fiscale balanswaarde. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het kortingspercentage (van 34,5%, 25% respectievelijk 19,5%) wordt berekend over ten hoogste de fiscale balanswaarde per ultimo 2015. Gedeeltelijke afkoop is niet mogelijk. Toepassing van de fiscaal gunstige afkoopregeling is volgens het Wetsvoorstel ook mogelijk voor reeds ingegane pensioenen, maar in principe niet voor het pensioen van de DGA dat tot op heden (gedeeltelijk) bij een verzekeraar is ondergebracht. De eventuele (ex-)partner van de DGA zal schriftelijk moeten instemmen met afkoop op basis van de fiscaal gunstige afkoopregeling. Zonder deze instemming kan het pensioen in eigen beheer niet worden beëindigd en zal het opgebouwde pensioen in stand blijven.

Het oudedagssparen wordt geïntroduceerd voor degenen die het pensioen in eigen beheer niet kunnen of willen afkopen. Het oudedagssparen is vergelijkbaar met een pensioen op basis van een beschikbare premieregeling. Daarbij geldt dat, nadat het opgebouwde pensioen belastingvrij is afgewaardeerd van de commerciële waarde naar de fiscale waarde, dit afgewaardeerde pensioen uiterlijk 31 december 2019 wordt omgezet in een zogenoemde oudedagsverplichting en vervolgens een uitkering wordt aangekocht zodra de pensioendatum wordt bereikt. Dit kan bij een verzekeraar in de vorm van een levenslange uitkering en bij de vennootschap die de oudedagsverplichting heeft uitgevoerd in de vorm van een uitkering met een looptijd van in beginsel twintig jaar. Toekomstige dotaties voor het oudedagssparen zijn volgens het Wetsvoorstel niet mogelijk, zodat de omvang van de oudedagsverplichting enkel toeneemt door een wettelijk voorgeschreven jaarlijkse oprenting. Wederom geldt dat omzetting van het opgebouwde pensioen in een oudedagsverplichting enkel mogelijk is op basis van een schriftelijke instemming van de eventuele (ex-)partner van de DGA.

Indien u een pensioen in eigen beheer heeft, ongeacht of u de opbouw van dit pensioen reeds heeft stopgezet of dat u reeds pensioenuitkeringen ontvangt, heeft de voorgenomen afschaffing van het pensioen in eigen beheer waarschijnlijk grote gevolgen voor u, uw (ex-)partner en uw vennootschap. Het is daarom raadzaam om tijdig een weloverwogen keuze te maken tussen de fiscaal gunstige afkoopregeling of het oudedagssparen en de in dit verband eventueel benodigde voorbereidingen te treffen.

2. Aanpassing innovatiebox

Het Nederlandse innovatieboxregime zal met ingang van 1 januari 2017 worden aangepast. De belangrijkste wijzigingen houden verband met de toegangseisen van de innovatiebox en de winsttoerekening aan de innovatiebox.

Voor de meerderheid van belastingplichtigen die op dit moment gebruik maken van de innovatiebox zal de toepassing naar verwachting grotendeels onveranderd blijven. Wel gelden er met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017 aanvullende administratieverplichtingen.

Toegangseisen nieuwe innovatiebox

Op basis van het wetsvoorstel wordt voor de toegang tot de nieuwe innovatiebox voortaan een onderscheid gemaakt tussen (a) kleinere belastingplichtigen en (b) andere belastingplichtigen.

Een 'kleinere belastingplichtige' is een belastingplichtige die in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen: (i) minder dan € 37.500.000 aan voordelen uit kwalificerende immateriële activa heeft genoten en (ii) een netto-omzet heeft genoten die lager is dan € 250.000.000. Indien een belastingplichtige deel uitmaakt van een groep, dan wordt de laatste toets toegepast op de netto-omzet van de groep als geheel. Een 'andere belastingplichtige' is een belastingplichtige die niet kwalificeert als 'kleinere belastingplichtige'.

Om de nieuwe innovatiebox toe te kunnen passen, moeten zowel 'kleinere belastingplichtigen' als 'andere belastingplichtigen' beschikken over zelf voortgebrachte immateriële activa die voortvloeien uit speur- en ontwikkelingswerkzaamheden waarvoor een zogenoemde ‘S&O-verklaring’ is afgegeven door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl).

Voor 'andere belastingplichtigen' geldt als aanvullende eis dat de zelf voortgebrachte immateriële activa kwalificeren onder één van de volgende categorieën:

  1. aangevraagd of verleend octrooi of kwekersrecht;
  2. programmatuur;
  3. vergunning verleend door een lidstaat van de EU voor het in de handel brengen van een geneesmiddel;
  4. aanvullend beschermingscertificaat verleend door het Octrooicentrum Nederland;
  5. geregistreerd gebruiksmodel (utility model);
  6. een immaterieel activum dat samenhangt met een activum als bedoeld onder (a) tot en met (e); of
  7. een exclusieve licentie om een van de activa bedoeld onder (a), (b), (c) of (e) op een bepaalde wijze, voor een bepaalde termijn of in een bepaald geografisch gebied te gebruiken. 

Winsttoerekening nieuwe innovatiebox

De winsttoerekening aan de innovatiebox wordt beperkt indien en voor zover een belastingplichtige een deel van zijn S&O-werkzaamheden heeft uitbesteed (‘contract R&D’) binnen de groep.

Als sprake is van ‘contract R&D’ binnen de groep, dan wordt de winsttoerekening aan de nieuwe innovatiebox beperkt aan de hand van de verhouding kwalificerende S&O-uitgaven versus totale S&O-uitgaven. Hierbij zijn de kwalificerende S&O-uitgaven omschreven als de totale S&O-uitgaven, verminderd met de uitgaven voor ‘contract R&D’ binnen de groep. De aldus bepaalde kwalificerendeS&O-uitgaven mogen worden vermenigvuldigd met een factor 1.3, zodat beperkte ‘contract R&D’ binnen de groep mogelijk blijft.

Overgangsrecht

Het nieuwe innovatieboxregime zal met ingang van 1 januari 2017 inwerkingtreden en van toepassing zijn op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017. Het wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht voor kwalificerende immateriële activa die zijn voortgebracht vóór 30 juni 2016. Het overgangsrecht eindigt in het laatste boekjaar dat uiterlijk eindigt op 30 juni 2021.

Alle bestaande vaststellingsovereenkomsten waarin afspraken over toepassing van de huidige innovatiebox zijn opgenomen, komen behoudens het overgangsrecht in principe te vervallen. Bestaande vaststellingsovereenkomsten van 'kleinere belastingplichtigen' kunnen op basis van doelmatigheidsoverwegingen – onder voorwaarden – ongewijzigd worden gecontinueerd.

3. Maatregelen vrijgestelde beleggingsinstellingen

Het Belastingplan 2017 komt tegemoet aan de wens van de Tweede Kamer om 'iets’ te doen tegen het verondersteld misbruik van het instrument van de Vrijgestelde BeleggingsInstelling (‘VBI’). Dat ‘iets’ bestaat uit een tweetal maatregelen. Die maatregelen gelden niet alleen als sprake is van een VBI, maar ook als een beleggingsvennootschap wordt verplaatst naar een jurisdictie met een laag tarief qua winstbelasting. Hierna spreken we gemakshalve slechts over de VBI.

Afrekening bestaande aanmerkelijkbelangclaim

Vanaf 20 september 2016, 15.15 uur leidt het verkrijgen van de VBI-status tot een verplichte afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim bij de aanmerkelijkbelanghouder. In de praktijk wordt vaak vermogen van een bestaande BV juridisch afgesplitst naar een nieuwe entiteit die de VBI-status verkrijgt. De voorgestelde maatregelen leiden er toe dat in dat geval (slechts) voor het evenredig deel van de aanmerkelijkbelangclaim moet worden afgerekend (tarief: 25%). Dit evenredig deel is dan de verhouding waarin het naar de nieuwe entiteit (VBI) afgesplitste vermogen staat tot het totaal vermogen van de splitsende BV, direct voorafgaand aan de splitsing.

 

Een cijfervoorbeeld. De verkrijgingsprijs van een aanmerkelijkbelangpakket bedraagt € 0, vermogen € 100, aanmerkelijkbelangclaim € 25. Er wordt € 60 afgesplitst naar een VBI. De oude BV blijft bestaan. Er is dan 60/100 * 25 = € 15 belasting verschuldigd.

De verkrijgingsprijs van het aanmerkelijkbelangpakket wordt verhoogd met het bedrag waarover is afgerekend. In het cijfervoorbeeld hebben de aandelen in de ‘oude’ BV een verkrijgingsprijs van € 0, terwijl voor de aandelen VBI een verkrijgingsprijs van € 60 geldt.

Aanpassen van de anti-arbitragetermijn (‘box-hoppen’)

Beleggingsvermogen dat behoort tot de heffingsgrondslag van box 3 (sparen en beleggen) wordt in de praktijk kort voor de peildatum van 1 januari ondergebracht (gestort) in een entiteit waarvoor de VBI-status wordt aangevraagd. Daarmee verschuift vermogen van box 3 naar box 2 (aanmerkelijkbelang). De belastingheffing vindt dan per saldo plaats over het echte, genoten rendement, tegen een tarief van 25%. In de regel is deze opzet fiscaal voordelig bij een jaarrendement van 6,6% of minder.

De bestaande regelgeving bepaalt dat verschuiving van box 3 naar box 2 rondom 1 januari voor minimaal 6 maanden moet worden gehandhaafd, anders vindt heffing plaats in zowel box 3 als in box 2. Dat maakt het mogelijk steeds voor iets meer dan 6 maanden van box te wisselen, waarbij de peildatum van 1 januari elke keer wordt vermeden. Het rendement over min of meer 6 maanden valt dan buiten box 2, maar ook niet in box 3, waardoor het hiervoor berekende omslagpunt stijgt naar (afgerond) 13,2%. Toepassing van dergelijke ‘flits-VBI’s’ wordt niet gewenst geacht. Om die reden wordt voorgesteld de 6-maandstermijn te verlengen naar 18 maanden. Deze verlenging geldt alleen als sprake is van gebruikmaking van het VBI-regime (of een laag belaste buitenlandse entiteit) en het forfaitair voordeel van box 2 van toepassing is. Als er zakelijke argumenten zijn om het vermogen korter dan 18 maanden in box 2 aan te houden, is deze antimisbruikbepaling niet van toepassing.

Opmerkingen

De eerste maatregel is ingrijpend. Vanaf nu kan de verkrijging van de VBI-status leiden tot aanmerkelijkbelangheffing. Bestaande VBI’s of entiteiten die de status van VBI met ingang van een datum voor 20 september 2016 kunnen verkrijgen worden niet geraakt.

De tweede aanpassing zal op basis van onze ervaringen de praktijk niet enorm raken. In de meeste bij ons bekende gevallen wordt de keuze om box-3-vermogen onder te brengen in box 2, met VBI-status, voor een langere termijn gemaakt.

4. Maatregelen afgezonderd particulier vermogen

Bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen (‘APV’) worden in beginsel toegerekend aan de inbrenger van het APV of na zijn overlijden diens erfgenamen. Op grond van de huidige zogenoemde toerekeningsstop vindt geen toerekening aan de inbrenger van het APV of diens erfgenamen plaats, indien het APV wordt betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing (kort gezegd: 10% over een vergelijkbare grondslag). Om vermeende belastingconstructies met APV’s een halt toe te roepen wordt in het Belastingplan 2017 voorgesteld om de reikwijdte van de toerekeningsstop aanzienlijk te beperken. Op grond van de voorgestelde wijziging is de toerekeningsstop slechts van toepassing voor zover blijkt dat het APV een reële, actieve, onderneming drijft en die onderneming is onderworpen aan een belasting naar de winst.

Dit betekent dat niet-ondernemingsactiviteiten – bijvoorbeeld in de vorm van aanmerkelijkbelangaandelen, schuldvorderingen of overige bezittingen – welke op grond van de huidige toerekeningsstop niet werden toegerekend aan de inbrenger van het APV of diens erfgenamen, na de voorgestelde wijziging wel aan hen worden toegerekend.

Voorgesteld wordt om de maatregel met terugwerkende kracht in te voeren, tot en met het tijdstip van bekendmaken van de maatregelen, te weten 20 september 2016, 15.15 uur. Daarnaast voorziet het voorstel met betrekking tot aanmerkelijkbelangaandelen eveneens in overgangsrecht, waarin de verkrijgingsprijs van deze aandelen en winstbewijzen wordt vastgesteld. De verkrijgingsprijs wordt in beginsel (met inachtneming van bepaalde correcties) vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs van het aanmerkelijkbelang ten aanzien van de inbrenger vóór de inbreng in het APV, zodat wordt voorkomen dat over de tussentijdse waardestijging van de aandelen en winstbewijzen, definitief geen belasting meer kan worden geheven.

5. Afschaffing aftrek uitgaven monumentenpanden

Uitgaven voor onderhoud van monumenten zijn met ingang van 2017 niet meer aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek in de inkomstenbelasting. Voor onder meer eigenaren die voor hun monumenten reeds onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan wordt als overgangsmaatregel een subsidieregeling in het leven geroepen. Over de uitwerking van die subsidieregeling wordt de Tweede Kamer in oktober 2016 nader geïnformeerd.

6. Btw-teruggaaf oninbare vorderingen

Aan het voornemen om de procedure voor het terugvragen van btw op oninbare vorderingen te versoepelen is uitvoering gegeven in de voorgestelde Fiscale Vereenvoudigingswet 2017. Het doel van de aangepaste regeling is om de procedure voor btw-teruggaaf met ingang van 1 januari 2017 te vereenvoudigen en ondernemers sneller zekerheid te geven over deze teruggaaf. Reden hiervoor is dat de huidige regels als tijdrovend en ingewikkeld worden ervaren. De belangrijkste aspecten van het voorstel zijn:

  • Het recht op teruggaaf ontstaat in ieder geval als een factuur één jaar na het opeisbaar worden nog niet is betaald.
  • Voor zover een oninbare vordering later alsnog wordt voldaan, wordt de reeds teruggegeven btw opnieuw verschuldigd.
  • Het terug te geven bedrag kan verwerkt worden in de periodieke btw-aangifte. Het is dus niet meer nodig om een afzonderlijk verzoek in te dienen.
  • Indien een vordering wordt overgedragen (bijvoorbeeld in het kader van factoring), treedt de overnemer voor de teruggaafregeling in de voetsporen van de verkoper. Bij een dergelijke overname zal de overnemer, indien recht op teruggaaf bestaat, nog wel een afzonderlijk verzoek moeten indienen. Daarvoor geldt het mechanisme van terugvragen via de aangifte niet.

Door een overgangsregeling zullen de nieuwe regels ook gelden voor opeisbare vorderingen van vóór 1 januari 2017, met dien verstande dat de termijn van één jaar begint te lopen op 1 januari 2017.

7. Aanpassing definitie 'bouwterrein' aan Europese rechtspraak

Hoewel de levering van vastgoed in beginsel is vrijgesteld van btw, is de levering van een bouwterrein op basis van Europese btw-regels van rechtswege belast met btw. In de afgelopen jaren is de Nederlandse uitleg van het begrip ‘bouwterrein’ voor de heffing van btw diverse malen onderwerp van nationale en Europese procedures geweest.

Uit die procedures komt naar voren dat Nederland het begrip ‘bouwterrein’ te beperkt uitlegt. In Nederland was alleen sprake van een bouwterrein indien ten aanzien van het onbebouwde terrein al activiteiten met het oog op toekomstige bebouwing plaats hadden gevonden. Europees gezien is voldoende als aantoonbaar is dat sprake is van een bouwbestemming. In het Belastingplan 2017 is een voorstel opgenomen dat het verschil tussen de Nederlandse uitleg en de Europese uitleg weg moet nemen.

Indien het voorstel wordt aangenomen wordt als bouwterrein aangemerkt ieder terrein dat onbebouwd is, of door de verkoper nog onbebouwd zal worden gemaakt, en aantoonbaar bestemd is om bebouwd te worden. De levering van een dergelijk terrein door een btw-ondernemer is dan belast met btw en de corresponderende verkrijging is bij de verkrijger vrijgesteld van overdrachtsbelasting.