Op 24 juni 2016 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het voorstel van een wet tot Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut (het Wetsvoorstel) bij de Tweede Kamer ingediend.1 De discussie over de afschaffing van precariobelasting voor nutsbedrijven is meer dan tien jaar aan de gang.

Provincies, gemeenten en waterschappen hebben krachtens artikel 222c Provinciewet, artikel 228 Gemeentewet respectievelijk artikel 114 Waterschapswet de bevoegdheid om precariobelasting te heffen voor het hebben van voorwerpen, onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond. De laatste jaren heffen steeds meer lokale overheden precariobelasting over netwerken van nutsbedrijven. Precariobelasting is omstreden omdat de meeste nutsbedrijven de precario (moeten) doorberekenen in hun tarieven aan alle klanten in hun verzorgingsgebied. Daardoor moeten ook burgers van gemeenten die geen precario heffen, meebetalen aan de precario van andere gemeenten.

Het wetsvoorstel stelt voor om de bevoegdheid om precariobelasting te heffen in die zin te beperken dat geen precariobelasting kan worden geheven ter zake van:

  1. de infrastructuur, bedoeld in artikel 7 lid 3 Drinkwaterwet;
  2. een net als bedoeld in artikel 20 lid 1 Elektriciteitswet 1998;
  3. een gastransportnet als bedoeld in artikel 39a Gaswet; of
  4. werken als bedoeld in artikel 38 Warmtewet.2

Het wetsvoorstel bevat een overgangsregeling voor provincies, gemeenten en waterschappen waarin in 2015 precariobelasting werd geheven voor enige openbare werken van algemeen nut en op 10 februari 2016 een belastingverordening gold.3 Deze lokale overheden mogen precariobelasting blijven heffen tot 1 januari 2027. Daarmee worden zij in de gelegenheid gesteld om deze belasting gedurende een termijn van tien jaar af te bouwen. Provincies, gemeenten en waterschappen die deze belasting pas na 2015 hebben ingevoerd vallen daardoor niet onder de overgangsregeling. De overgangsregeling is bedoeld voor lokale overheden die inkomsten derven door het afschaffen van de heffingsbevoegdheid over netwerken van nutsbedrijven. Om te voorkomen dat het tarief tijdens de overgangstermijn stijgt is het tarief gemaximeerd tot het tarief dat op grond van de belastingverordening gold op 10 februari 2016.4