Bij brief van 19 mei 2016 zond de minister van Infrastructuur en Milieu een brief aan de Tweede Kamer waarin zij ingaat op de Invoeringswet Omgevingswet. Deze brief bespreek ik in drie delen. In het eerste deelbesprak ik met name de regeling voor planschadevergoeding en punitieve handhaving. In het tweede deel ging ik in op digitalisering, de introductie van de omgevingsplanactiviteit en de herintroductie van de gefaseerde omgevingsvergunning voor bouwen. In dit deel ga ik in op het overgangsrecht. De Omgevingswet zal volgens de huidige planning in het voorjaar van 2019 in werking treden.

Algemeen

  • Het overgangsrecht regelt de overgang van de huidige bestaande wet- en regelgeving naar het nieuwe stelsel onder de Omgevingswet. Alle ontheffingen en vergunningen waarvoor de nieuwe omgevingsvergunning in de plaats komt, worden van rechtswege aangemerkt als omgevingsvergunning. Daarnaast zal voor lopende procedures waar mogelijk worden voorzien in “eerbiedigende werking”. Dit betekent dat lopende procedures volgens het oude recht zullen worden afgehandeld.

Omgevingsvisies en programma’s

  • Omdat de voorbereiding van de nationale omgevingsvisie “op stoom” is, ziet de minister op dit moment geen aanleiding daarvoor een overgangstermijn te regelen. Wat de gemeentelijke omgevingsvisies betreft bekijkt de Minister met de VNG hoe de overgangstermijn voor de wettelijke verplichting tot vaststelling van een gemeentelijk omgevingsvisie eruit moet zien. Voor provincies bekijkt de Minister nog of een overgangstermijn nodig is. Voor de periode dat de omgevingsvisie nog niet gereed hoeft te zijn, zal de Invoeringswet ervoor zorgen dat bestaande structuurvisies of plannen met een strategisch karakter hun geldigheid behouden: een ‘beleidsvacuüm’ wordt voorkomen.

Omgevingsplan

  • Het overgangsrecht zal alle bestemmingsplannen, beheersverordeningen, exploitatieplannen e.d. van een gemeente gelijk stellen met het omgevingsplan. Hierdoor ontstaat op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per gemeente van rechtswege één gemeentedekkend omgevingsplan. Dit plan voldoet echter nog niet aan alle eisen van de Omgevingswet. Gemeenten hebben vervolgens de taak om dit plan uit te bouwen naar een omgevingsplan dat volledig voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Zo bevat het omgevingsplan van rechtswege geen omgevingswaarden of regels voor de bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Ook voldoet het nog niet aan de nieuwe digitale standaarden. In de Invoeringsregelgeving zal worden bepaald waaraan het omgevingsplan minimaal moet voldoen, zolang nog niet aan alle wettelijke eisen hoeft te worden voldaan. Daarbij zal er ook in voorzien worden dat de digitale ondersteuning van de ruimtelijke plannen op ruimtelijkeplannen.nl gedurende een nog te bepalen termijn zal blijven functioneren. Wanneer de gemeentelijke omgevingsplannen aan alle wettelijke eisen van de Omgevingswet moeten voldoen en hoe dat in het overgangsrecht te vertalen, vormen nog punten van overleg met de gemeenten en de VNG.

Provinciale omgevingsverordening

  • Omdat de provinciale omgevingsverordeningen ook instructieregels zullen bevatten voor gemeenten en waterschappen, wil de Minister via een implementatietraject stimuleren dat provincies een omgevingsverordening gereed hebben op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Daarmee wordt voorkomen dat ingewikkeld overgangsrecht nodig is.

Waterschapsverordening

  • De Minister is met de Unie van Waterschappen in overleg over een overgangstermijn. Daarvoor zijn relevant dat nieuwe waterbeheerprogramma’s moeten worden vastgesteld op basis van de plancyclus uit het Europese recht en dat een provinciale omgevingsverordening instructieregels kan bevatten voor waterschapsverordeningen. Aangezien de waterschappen daar bij het vaststellen van hun verordeningen rekening mee moeten houden, kunnen de waterschapsverordeningen mogelijk niet worden vastgesteld op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zolang een waterschapsverordening niet van kracht is, zullen de bestaande keuren blijven gelden.

Tot slot

Rechtszekerheid ingeval van nieuwe wetgeving is van groot belang, waarbij past dat bestaande toestemmingen blijven gelden onder de Omgevingswet en dat lopende procedures volgens het oude recht zullen worden afgehandeld. Hoe dan ook zal het overgangsrecht, al dan niet terecht, vragen oproepen. Met het oog op snelle duidelijkheid over de betekenis van de bepalingen in de Omgevingswet kan overwogen worden de capaciteit van rechtbanken (uitgangspunt is rechtsbescherming in twee instanties) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (tijdelijk) uit te breiden. Ook kan overwogen worden dat de staatsraad advocaat generaal ambtshalve conclusies uitbrengt over de interpretatie van de Omgevingswet.