De Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed op 19 juli 2016 een praktische uitspraak.

B&W van Alphen-Chaam hadden binnen vier weken na de datum van verzending van hun besluit gelast een bouwkeet op een perceel te Ulvenhout te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van EUR 5.000,00 ineens. Appellant stelde dat voor de bouwkeet geen omgevingsvergunning was vereist, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Hij voerde daartoe aan dat de aanwezigheid van de bouwkeet verband hield met de reeds vergunde verbouwing van de woonboerderij op het perceel en deze voor die werkzaamheden derhalve functioneel was.

Het college meende dat ten tijde van het handhavingsbesluit geen bouwwerkzaamheden plaatsvonden en dat de bouwkeet dus niet functioneel gebruikt werd. Pas op een later moment dan het besluit werd een aanvang gemaakt met het uitgraven van de fundering.

De Afdeling oordeelt echter dat er een omgevingsvergunning aanwezig was voor het verbouwen van (een deel van) de woonboerderij op het perceel en dat de rechtbank terecht had overwogen dat niet alleen sprake is van een bouwkeet die functioneel is voor een bouwactiviteit, enkel op het moment dat daadwerkelijk werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook kan de bouwkeet voorafgaand aan de start van de daadwerkelijke bouwactiviteiten daaraan al ten dienste staan.

De Afdeling verklaart vervolgens het hoger beroep gegrond, en vernietigt de in hoger beroep aangevallen uitspraak alsmede de oplegging van de dwangsom met een proceskostenveroordeling van EUR 1574,80. Eind goed al goed voor deze burger die last ondervond van deze toch wellicht wat overijverige gemeentelijke aanpak.