Bij brief van 19 mei 2016 zond de minister van Infrastructuur en Milieu een brief aan de Tweede Kamer waarin zij ingaat op de Invoeringswet Omgevingswet. Deze brief bespreek ik in drie delen. In dit tweede deel ga ik met name in op digitalisering, de introductie van de omgevingsplanactiviteit, en de herintroductie van de gefaseerde omgevingsvergunning voor bouwen. In het eerste deel besprak ik de wijzigingen in de regeling voor planschadevergoeding en punitieve handhaving. In het derde deel komt het overgangsrecht aan bod. De Omgevingswet zal volgens de huidige planning in het voorjaar van 2019 in werking treden.

Digitalisering

  • Naar aanleiding van het amendement Smaling is artikel 20.20 over een digitaal stelsel voor de informatievoorziening over de fysieke leefomgeving aan de Omgevingswet toegevoegd. De Invoeringswet maakt het mogelijk dat regels kunnen worden gesteld over 1. voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel; 2. gemeenschappelijke definities (in de standaarden); 3. in- en uitgaande gegevensstromen; 4. gegevenskwaliteitseisen aan gegevensstromen; en 5. taken en verantwoordelijkheden van de verschillende organisaties.
  • Het is de ambitie om tot 2024 stapsgewijs alle relevante beschikbare informatie, zowel over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving als de gegevens over de fysieke omgevingskwaliteit ter plaatse, met één klik op de kaart beschikbaar te hebben en begrijpelijk te tonen.

Opmerking: de ‘digitaliseringsoperatie’ zal zich in de praktijk moeten bewijzen. Voor de gebruiker is een betrouwbaar en soepel werkend systeem dat ook draait op een tablet van groot belang.

Omgevingsplanactiviteit

  • De term ‘afwijkactiviteit’ wordt vervangen door ‘omgevingsplanactiviteit’.
  • Met het aangenomen wetsvoorstel Omgevingswet kunnen gemeenten een vergunningplicht via een omweg opnemen in het omgevingsplan: de activiteit moet eerst worden verboden, waarna een vergunning kan worden verleend om van dit verbod af te wijken (buitenplanse vergunning). De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in dit kader aangedrongen op de mogelijkheid voor gemeenten om zelf in het omgevingsplan te kunnen bepalen of voor een activiteit een vergunning nodig is. In lijn met dit voorstel zal in het wetsvoorstel Invoeringswet een grondslag voor een vergunningenstelsel in het omgevingsplan worden opgenomen (binnenplanse vergunning). Hierbij kan gedacht worden aan een vergunningplicht voor bouwwerken, sloopactiviteiten of het aanbrengen van veranderingen aan beschermde monumenten. Hierdoor zijn er straks twee soorten vergunningen mogelijk: binnenplanse en buitenplanse.
  • De combinatie van een binnenplanse en buitenplanse vergunningstelsel onder de Omgevingswet leidt niet tot een procedurele stapeling, zoals dat nu onder de Wabo het geval is. Indien de binnenplanse vergunning voor een activiteit moet worden geweigerd, moet die activiteit op grond van de Wabo ook worden aangemerkt als een andere activiteit om af te wijken van het bestemmingsplan, waarna de vergunning voor beide activiteiten als nog kan worden verleend. De Invoeringswet regelt dat wanneer een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan moet worden geweigerd, de vergunningaanvraag binnen dezelfde procedure alsnog kan worden toegekend in het belang van het toekennen van functies aan locaties.

Opmerking: mijn indruk is dat ook onder de Wabo ten aanzien van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen die strijdig is met het bestemmingsplan, op grond van artikel 2.10 lid 2 Wabo binnen dezelfde procedure wordt bezien of deze via een binnenplanse afwijking, via een kruimelafwijking dan wel  projectafwijking kan worden verleend (respectievelijk artikel 2.12 lid 1 aanhef en onder a nummers 1 – 3 Wabo). Verder is het mij niet geheel duidelijk welk verschil de introductie van de omgevingsplanactiviteit nu daadwerkelijk maakt ten opzichte van de systematiek zoals opgenomen in het aangenomen wetsvoorstel.

Herintroductie van de gefaseerde omgevingsvergunning voor bouwen

Opmerking: tot de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010 voorzag artikel 56a Woningwet (oud) in een gefaseerde bouwvergunning. Deze fasering had betrekking op het toetsingskader. Een aanvraag om bouwvergunning eerste fase werd onder meer getoetst aan het bestemmingsplan en de welstandsnota. De aanvraag om een bouwvergunning tweede fase werd onder meer getoetst aan het Bouwbesluit. Deze systematiek leidde ertoe dat zonder dat de initiatiefnemer het bouwplan in technische zin compleet hoefde uit te werken (en daarvoor kosten moest maken), zekerheid kon worden verkregen in hoeverre het bouwplan zou passen binnen het bestemmingsplan. Dat moest bij de aanvraag om bouwvergunning tweede fase, waarbij aan het Bouwbesluit werd getoetst.

Opmerking: artikel 56a Woningwet kwam met de inwerkingtreding van de Wabo te vervallen. De Wabo voorziet met artikel 2.5 ook in een faseringsregeling, maar die strekt er niet toe dat gefaseerd aan bepaalde delen van het toetsingskader kan worden getoetst, maar dat gefaseerd kan worden in de aanvraag van zelfstandige complete activiteiten (zoals bouwen of het oprichten van een inrichting).

  • Via de Invoeringswet wil de Minister de vergunning voor de bouwactiviteit splitsen in een vergunning met het oog op 1. de technische regels voor een bouwwerk en 2. de regels van het omgevingsplan.
  • De technische regels voor een bouwwerk komen te staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Via het Invoeringsbesluit wil de Minister in het Bbl de vergunningplicht beperken tot bouwwerken met een zwaarder risicoprofiel (zoals bouwwerken met meerdere bouwlagen en verdiepingsvloeren of verbouwingen met wijzigingen in de brandcompartimentering).
  • De regels die onder het huidige stelsel staan in het bestemmingsplan, de bouwverordening en de welstandsnota worden onder de Omgevingswet gebundeld in het omgevingsplan. De Minister wil het in beginsel aan de gemeente overlaten om te bepalen of een vergunningplicht nodig is met het oog op een preventieve toetsing aan de regels. Wanneer de regels in het omgevingsplan concreet, beperkt in aantal en overzichtelijk zijn, ligt een vergunningplicht niet voor de hand. Een vergunningplicht ligt juist wel voor de hand wanneer een omgevingsplan open normen geeft voor een activiteit en op basis daarvan een nadere afweging nodig is. Denk hierbij aan een regel op grond waarvan de bouwvorm en de omvang van het bouwvolume moet aansluiten op het bebouwingsbeeld van de omliggende percelen.
  • De initiatiefnemer kan door deze fasering zelf bepalen wanneer hij een omgevingsvergunning aanvraagt voor de beoordeling van een bouwactiviteit aan het omgevingsplan en wanneer voor een beoordeling aan de regels voor de technische bouwkwaliteit. Dat kan gelijktijdig, maar dat hoeft niet.

Tot slot

Digitalisering staat of valt in grote mate met het gebruiksgemak van het systeem. De meerwaarde van de introductie van de omgevingsplanactiviteit is mij nog niet geheel duidelijk. De terugkeer van de gefaseerde omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit moet worden toegejuicht.