​​​​In veel gemeenten gelden nog overeenkomsten die jaren geleden met netbeheerders zijn gesloten. Daarin is vaak opgenomen dat de netbeheerder volledig wordt gecompenseerd voor verleggingen van kabels en leidingen die zijn gelegen in de gemeentegrond. Soms is daarin ook opgenomen dat voor het hebben en houden van deze leidingen in de gemeentegrond zakelijke rechten moeten worden gevestigd. De vraag doet zich nu voor of de netbeheerder bij opzegging van die overeenkomsten aanspraak kan maken op de vestiging van het overeengekomen zakelijk recht.

De rechtbank Oost-Brabant beantwoordde die vraag in het vonnis van 4 mei 2016 ontkennend. Het door de rechtbank gegeven oordeel over de zakelijke rechten is nieuw in de discussie over de opzegging van duurovereenkomsten inzake kabels en leidingen (zie daarover ook onze eerdere blogs van 6 november 2015 en 2 juli 2014). Reden dus voor een nieuwe blog!

De feiten: Overeenkomst vs. Publiekrechtelijke regeling

De gemeenten Veghel, Bernheze en Uden hadden bij brief van 29 november 2013 de met de netbeheerders gesloten overeenkomsten opgezegd per 1 juli 2014. De redenen daarvoor waren (kortgezegd) dat de overeenkomsten niet meer aansluiten bij de huidige tijdgeest; de energiemarkt is geliberaliseerd en de gemeenten streven voor alle kabels en leidingen in de gemeentegrond een eenduidig, uniform beleid na. Met name het gegeven dat nutsbedrijven op grond van de oude overeenkomsten geheel werden gecompenseerd voor verleggingen van de infrastructuur, werd niet meer passend geacht.

Per 1 juli 2014 is voor de overeenkomsten een publiekrechtelijke regeling in de plaats gekomen die bestaat uit de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) en de Beleidsregel nadeelcompensatie bij het verleggen van kabels en leidingen. Met deze publiekrechtelijke regeling, die aansluit bij landelijke regelingen, is onder andere de systematiek van de vergoeding van de kosten van verlegging van kabels en leidingen gewijzigd. De vergoeding vindt nu plaats op basis van nadeelcompensatie. Daarbij bestaat er slechts aanspraak op nadeelcompensatie als de kabels en leidingen minder dan vijftien jaar in de grond liggen. De situatie dat de netbeheerder geen tegenprestatie is verschuldigd voor het hebben van leidingen in de gemeentegrond, werd in dit geval overigens gecontinueerd.

Naar aanleiding van de opzegging van de overeenkomsten is één van de netbeheerders een kort geding tegen de gemeenten gestart. Die procedure leidde op 1 juli 2014​ tot het vonnis dat opzegging van de overeenkomsten in beginsel mogelijk was. In de daaropvolgende bodemprocedure kwam de rechtbank op 4 mei 2016 tot hetzelfde oordeel. Daarmee sloot de rechtbank voor wat betreft de mogelijkheid tot opzegging van overeenkomsten inzake kabels en leidingen aan bij de arresten van de Hoge Raad inzake De Ronde Venen/Stedin (HR 28 oktober 2011, NJ 2012, 685 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, AB 2012, 85 m.nt. F.J. van Ommeren) en Auping/Beverslaap (HR 14 juni 2013, NJ 2013, 341).

Netbeheerder mag niet langer aanspraak maken op vestiging zakelijk recht

Naast de kwestie van opzegging speelde in deze procedure nog de vraag of de gemeenten, ondanks de rechtsgeldige opzegging, alsnog gehouden waren om de overeengekomen zakelijke rechten te vestigen. Vanuit het perspectief van de netbeheerder is de beantwoording van die vraag erg relevant, omdat over de band van de vestiging van zakelijke rechten kan worden bewerkstelligd dat de voor haar voordelige verleg- en schadevergoedingsregelingen worden gecontinueerd. De rechtbank oordeelde in deze zaak echter dat de overeengekomen zakelijke rechten niet meer hoeven te worden gevestigd:

1) De vordering tot vestiging van de zakelijke rechten was al deels verjaard

Voor de vordering tot vestiging van de zakelijke rechten gold namelijk op grond van artikel 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. Nu de netbeheerder pas op 21 maart 2014 nakoming vorderde, was daarvan het gevolg dat de vordering al was verjaard voor de leidingen die vóór 21 maart 2009 zijn aangelegd.

2) De vordering tot vestiging van de zakelijke rechten leidt tot misbruik van bevoegdheid

Voor zover de leidingen op of na 21 maart 2009 waren aangelegd, oordeelde de rechtbank dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Dit oordeelde de rechtbank vanuit het perspectief dat partijen met de term "zakelijke rechten" ,"opstalrechten" hebben bedoeld. De rechtbank stelde vast dat de vestiging van een opstalrecht (alleen) tot doel heeft om de netbeheerder een zakenrechtelijk ligrecht te verschaffen en niet om de netbeheerder in een voordeligere positie te brengen. Nu de netbeheerder in dit geval al feitelijk beschikte over het zakenrechtelijk ligrecht (de netbeheerder is en blijft eigenaar van de leidingen en de AVOI en Beleidsregels tornen niet aan het recht van de netbeheerder om de leidingen in de gemeentegrond te hebben en te houden) en de netbeheerder alleen maar een beroep had gedaan op het opstalrecht om de voor haar voordelige verleg- en schadevergoedingsregeling te continueren, oordeelde de rechtbank dat de netbeheerder het haar toekomende recht tot vestiging van de opstalrechten voor een ander doel gebruikte dan waarvoor dit recht was gegeven. Dat is volgens de rechtbank ontoelaatbaar en levert volgens de rechtbank misbruik van bevoegdheid op.

Verplichting vergoeding alle kosten voor verlegging is voor gemeente niet eeuwigdurend

Op basis van dit vonnis kunnen gemeenten niet eeuwigdurend aan de verplichting worden gehouden om alle kosten voor de verlegging van kabels en leidingen aan de netbeheerder te vergoeden, ook niet als is overeengekomen om nog een zakelijk recht te vestigen.