Sedert 2015 betalen zelfstandigen socialezekerheidsbijdragen op het actuele inkomen van het jaar zelf. 

Voorheen betaalden zij sociale bijdragen die werden berekend op het inkomen van drie jaar geleden. Het nadeel van dit systeem was dat de zelfstandige mogelijkerwijze teveel bijdragen betaalde bij een actueel inkomstenverlies, ofwel te weinig bijdragen betaalde bij een actuele inkomstentoename. Zij waren anderzijds wel zeker van het bedrag van hun bijdragen, en konden zich daarnaar financieel organiseren. 

De wetgever is aan deze anomalie tegemoetgekomen met dit nieuwe systeem: de zelfstandige betaalt nu voorlopige bijdragen op zijn huidige inkomsten, en “regulariseert” de situatie na drie jaar. 

Op de vraag of dit nieuwe systeem beter is voor de zelfstandige, dienen de volgende bedenkingen geformuleerd te worden:

  1. In het nieuwe systeem is er sprake van voorlopige bijdragen, gebaseerd op de berekeningen van het sociaal verzekeringsfonds. De zelfstandige is daarbij niet zeker over de definitieve afrekening. Na twee jaar kan het zijn dat hij moet bijbetalen of zal terugtrekken wanneer blijkt dat hij teveel betaald heeft, waardoor hij pas twee jaar later zijn teveel betaalde gelden terugkrijgt. 
  2. Bovendien, wat met zelfstandigen die weinig of geen inkomsten hebben? Denk aan de zelfstandigen van wie de inkomsten lager liggen dan de inkomstendrempel of in die mate verslechteren dat zij in feite een verminderde bijdrage verschuldigd zijn (bijvoorbeeld door slechte economische resultaten of ziekte). Zij kunnen in het nieuwe systeem een verlaging of vrijstelling vragen, waarvan de uitslag echter onzeker is. 

Anderzijds, wie zelf een verlaagde bijdrage of vrijstelling vraagt en deze te laag inschat wordt onderworpen aan een grote regularisatie. De zelfstandige dient dan niet enkel het verschil bij te betalen met inbegrip van de verschuldigde intresten, maar wordt ook onderworpen aan twee verhogingen, zijnde een eerste vaste verhoging van 7% en een tweede verhoging van 3% x het aantal kwartalen tussen het bijdragejaar en de regularisatie. Een foute inschatting van de inkomsten kan leiden tot een financiële mokerslag.

  1. Ook na het stopzetten van de zelfstandige activiteit kunnen problemen opduiken. De zelfstandige zal immers nog regularisaties ontvangen na de stopzetting (bijvoorbeeld bij stopzetting omdat de zelfstandige in loondienst gaat werken, of op pensioen gaat) of zijn erfgenamen bij zijn overlijden. Voor sommigen zullen regularisaties nog moeilijk te betalen zijn. Bovendien is de fiscale aftrek niet langer gegarandeerd, bijvoorbeeld bij ontstentenis van inkomsten. 

Finaal komt het erop neer dat de wetgever de berekeningsbasis enkel drie jaar heeft vooruit geschoven, onder het mom van het “accuraat” betalen van socialezekerheidsbijdragen. Zelfstandigen met groeiende inkomsten hebben ongetwijfeld geen probleem om een verhoging na drie jaar bij te passen, in tegenstelling tot zelfstandigen die zich geconfronteerd zien met dalende inkomsten of die hun zelfstandige activiteit stopzetten.