Op 21 januari 2016 besloot de Europese Commissie (“EC“) dat vrijstellingen van vennootschapsbelasting voor overheidsbedrijven vanwege strijd met het staatssteunrecht niet voortgezet kunnen worden. Die vrijstellingen mogen, ondanks pogingen van de Nederlandse overheid daartoe, ook voor havenbedrijven niet voortgezet worden. Interessant is dat de EC de vrijstellingen voor bekostigde onderwijs- en onderzoeksinstellingen wél toestaat.

Achtergrond onderzoek EC naar vennootschapsbelasting overheidsbedrijven

Het Commissieonderzoek naar de vennootschapsbelastingvrijstellingen voor Nederlandse overheidsbedrijven, is onderdeel van de bredere ambitie van de EC om met het staatssteunrecht strijdige belastingvoordelen voor (overheids)bedrijven in Lidstaten te doen verdwijnen. Op dit moment buigt de EC zich onder meer over belastingvoordelen voor havenbedrijven in België en Frankrijk. De EC is bij deze landen echter nog niet gekomen met een definitief besluit over de vrijstellingen. De Commissieonderzoeken in de verschillende lidstaten verlopen namelijk niet gelijktijdig.

Nederland en de EC overlegden eerder over de vrijstellingen van vennootschapsbelasting voor overheidsbedrijven in de Wet Vennootschapsbelasting 1969 (“Wet Vpb 1969“). In mei 2013 deed de EC reeds voorstellen om die vrijstellingen aan te passen, waarop Nederland aangaf (onder het voorbehoud van parlementaire goedkeuring) nieuwe wetgeving te zullen aannemen. Daarna startte het wetgevingstraject voor de januari jl. in werking getreden Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen (“Wet Vpb 2015“) met daarin hervorming van de vrijstellingen voor overheidsondernemingen. Een aantal vrijstellingen blijft in deze wet echter gehandhaafd, waaronder de vrijstellingen voor zeehavens en onderzoek- en onderwijsinstellingen. Mede daardoor initieerde de EC een formeel onderzoek naar de rechtmatigheid van deze vrijstellingen.

Besluit EC over hervormingen

De EC onderzoekt de Wet Vpb 1969 en de ingevoerde hervormingen. Zij onderkent dat de meeste vrijstellingen voor overheidsondernemingen met de Wet Vpb 2015 afgeschaft zijn. Daarnaast onderzoekt de EC de in stand gebleven vrijstellingen voor zeehavens en onderzoek- en onderwijsinstellingen

  • Zeehavens

Volgens de EC zijn publieke zeehavens ondernemingen waarop het staatssteunrecht van toepassing is. Deze zeehavens verrichten namelijk, naast hun overheidstaken, economische activiteiten. De vrijstellingen verlenen, zo concludeert de EC, de zeehavens een selectief niet-marktconform voordeel dat het Europese handelsverkeer verstoort. Aangezien deze vrijstellingen bestonden voor de toetreding van Nederland tot de Europese Unie kwalificeren zij als “bestaande staatssteun”. Daarom hoeft Nederland de in het verleden genoten staatssteun niet terug te vorderen van de betrokken overheidsbedrijven. Wel dient Nederland binnen een tijdsbestek van twee maanden na het Commissiebesluit maatregelen te nemen ten einde te verzekeren dat de vrijstelling uiterlijk 1 januari 2017 daadwerkelijk afgeschaft is (zie hierover ook: D.E. Sprundel en L.C. Trouw, Nederland vaart zijn eigen (ram)koers; niet langer het braafste jongetje van de klas, WFR 2016/31).

  • Onderzoek- en onderwijsinstellingen

De vrijstellingen voor bekostigde onderzoek- en onderwijsinstellingen zijn in principe geen staatssteun aldus de EC. De EC licht toe dat door publieke middelen en collegegelden gefinancierde onderzoek- en onderwijsactiviteiten geen economische activiteiten zijn. Deze conclusie ligt in het verlengde van het advies dat de EC eerder aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf in de zaak LOI-NTI, waarin door LOI-NTI opgekomen werd tegen de toestemming aan de Open Universiteit Nederland voor het verzorgen van de deeltijdse bacheloropleiding HBO-rechten in de vorm van afstandsonderwijs (ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2011:BY9933, AB 2014/344, m.nt. T.Barkhuysen en M.Claessens). Vanuit het oogpunt van consistentie en rechtszekerheid is deze beslissing van de EC prijzenswaardig. Tegelijkertijd verrichten universiteiten steeds meer economische activiteiten (die niet tot hun kerntaken behoren) met private middelen. Zij concurreren dus steeds meer met private onderwijsinstellingen, ook blijkens de zaak LOI-NTI, steeds meer met elkaar. Met deze trend zal de EC in de toekomst mogelijk meer rekening moeten houden (A.A. al Khatib, Marktregulering en aansprakelijkheid voor schending van het staatssteunrecht door wetgevend handelen, O&A 2015/55, par. 3.2.3; A.H.A. Mohammad, Ongelijke spelregels voor het online onderwijs, SEW 2015/10).

Tot slot: hoe nu verder?

De vrijstelling voor zeehavens zal, behoudens een succesvol beroep tegen het Commissiebesluit, afgeschaft moeten worden. Dit betekent echter niet dat overheidsinvesteringen in zeehavens in het geheel niet toegestaan (zullen) zijn. Eventuele staatssteun aan de commerciële activiteiten van zeehavens moet dan wel onder bestaande vrijstellingsregelingen vallen of eerst goedgekeurd worden door de EC. Overigens kondigde de EC aan dat zij de Algemene Groepvrijstellingsverordening zal aanpassen om gewenste investeringen in zeehavens mogelijk te maken.