1.- Het verbod en zijn wettelijke grondslag

Krachtens artikel 19 van de CAO nr. 108 van 16 juli 2013 mag een uitzendbureau geen uitzendkrachten bij een gebruiker (werkgever) tewerkstellen of aan het werk houden in geval van een staking of een lock-out. 

Deze bepaling lijkt op het eerste gezicht vrij duidelijk. Niettemin is er onenigheid betreffende de interpretatie van deze bepaling. Meer specifiek stelt zich de vraag of het voor een werkgever, bij een staking op één van zijn werven, verboden is om uitzendkrachten aan het werk te houden op de andere werven waar er geen staking is.

Hieronder zullen we deze vraag meer in detail onderzoeken en een antwoord proberen te formuleren op deze vraag. 

2.- De interpretatie van het verbod 

2.1. Strekking 1: Bij een staking op één werf, is het verboden om uitzendkrachten aan het werk te houden op de andere werven waar niet gestaakt wordt

Een deel van de auteurs is van mening dat, indien een werkgever meerdere werven heeft, verspreid over België, en er maar in één van deze werven een staking aangekondigd wordt, het verboden is voor de werkgever om uitzendkrachten aan het werk te houden op al zijn werven. Het zou dus eveneens verboden zijn uitzendkrachten aan het werk te houden op de werven waar er niet gestaakt wordt. 

In een arrest van 7 oktober 2005 is de Arbeidsrechtbank van Brussel deze strekking gevolgd. De arbeidsrechtbank baseerde zich daarbij op een letterlijke lezing van de CAO nr. 108 en stelde dat de CAO immers geen onderscheid maakt tussen een staking van een deel van het personeel of een staking van het geheel van het personeel, zodat het verbod in beide gevallen geldt. 

Het gevolg van deze interpretatie is dat één heel klein percentage van het personeel de werking van een volledige onderneming kan lamleggen. 

2.2. Stelling 2: Bij een staking op één werf, is het NIET verboden om uitzendkrachten aan het werk te houden op de andere werven waar niet gestaakt wordt

Een tweede strekking, bijgetreden door auteurs Moreno en Tilleman, stelt dat wanneer er slechts op één werf gestaakt wordt, het toegelaten is om uitzendkrachten aan het werk te houden op de andere werven. 

Zo is Moreno verder ook van mening dat wanneer slechts een deel van het personeel staakt, bijv. wanneer enkel de arbeiders staken, het wel nog toegelaten is uitzendkrachten aan het werk te houden in de andere personeelscategorieën. 

Deze auteurs baseren zich op het onderliggende doel van het verbod. Dit doel bestaat erin te voorkomen dat de slagkracht van een staking ondermijnd wordt door een werkgever die een beroep doet op uitzendkrachten om, voor de duur van de staking, de plaatsen in te vullen van de stakende werknemers. 

3.- Conclusie 

Kortom, de tekst van artikel 19 van de CAO nr. 108 van 16 juli 2013, is nu zeer ruim geformuleerd. Op grond van een letterlijke lezing van de tekst van de CAO, betreft het verbod nu alle stakingen, hoe klein ook, alsook stakingen op slechts één werf. 

Een deel van de rechtsleer interpreteert dit verbod wel op een beperktere wijze en stelt dat het verbod om uitzendkrachten te werk te stellen zich slechts uitstrekt tot de werf waarop gestaakt wordt. Zij baseren zich niet op een letterlijke lezing van de wet, maar wel op het doel van het verbod. 

Gelet op het doel van de wet om te voorkomen dat een werkgever een beroep zou doen op uitzendkrachten ter vervanging van de stakende werknemers en aldus aan de staking elk effect zou ontnemen, kan u als werkgever eventueel beslissen, als pragmatische oplossing, tijdens een staking uitzendkrachten aan het werk houden op een andere werf dan die waar er gestaakt wordt. De voorwaarde is wel dat die uitzendkrachten in geen geval het werk uitvoeren van de werknemers die staken! Zij moeten de taken uitvoeren die zij gewoonlijk binnen uw onderneming uitvoeren en hun werklast mag onder geen beding stijgen ten gevolge van de staking. 

Indien u echter absoluut geen enkel risico wilt nemen, adviseren wij u geen uitzendkrachten te werk te stellen op uw werven, ook indien de staking maar op één van uw vele werven plaats vindt.