Op 1 januari 2017 zal de Wet natuurbescherming (“Wnb”) in werking treden. In dit blog beschrijven wij het beschermingsregime en de afwijkingsmogelijkheden voor habitatsoorten.

Soorten die onder het beschermingsregime vallen

In de artikelen 3.5 tot en met 3.9 van de Wnb is het beschermingsregime neergelegd voor wat wij gemakshalve “habitatsoorten” noemen. Het gaat om soorten die worden beschermd door de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Deze dier- en plantensoorten genieten (in beginsel) bescherming voor zover hun natuurlijk verspreidingsgebied in Nederland is gelegen.

Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de “strikt beschermde soorten”, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen

De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

  • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb);
  • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb);
  • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb);
  • het beschadigen en vernielen van de voorplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb);
  • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb); en
  • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling

Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). De (cumulatieve) criteria om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, staan opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb. Een ontheffing of vrijstelling wordt slechts verleend indien:

  • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets);
  • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; en
  • de ontheffing of vrijstelling nodig is:
    • in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
    • ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
    • in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
    • voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
    • om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Aandachtspunten voor de praktijk

De formulering van de verboden vloeit, anders dan in de Flora- en faunawet het geval was, rechtstreeks voort uit de Habitatrichtlijn. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat voor een aantal verboden een opzetvereiste is opgenomen. In een van de komende berichten zullen wij nader ingaan op dit opzetvereiste.

Ook de gronden om tot ontheffingverlening over te kunnen gaan vloeien voort uit de Habitatrichtlijn. Deze gronden zijn daarom anders dan voor (de eerder door ons beschreven) vogels. Zo kan afgeweken worden van de verbodsbepalingen wegens “dwingende redenen van openbaar belang, waaronder sociale, economische en milieubelangen worden begrepen”. Voor ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld een woningbouwproject) lijkt vaak alleen deze ontheffingsgrond mogelijk. Uit een richtsnoer van de Europese Commissie volgt dat het moet gaan om een groot belang en een openbaar belang. Wie meer wil weten over deze ontheffingsgrond verwijzen wij graag naar ons artikel “Dwingende redenen van groot openbaar belang in de Flora- en faunawet. Een analyse van deze ontheffingsgrond naar aanleiding van recente jurisprudentie” en het blog “Behoud cultureel erfgoed als dwingende reden van groot openbaar belang voor ontheffing Flora- en faunawet“.

Dit is een blog in de serie “De nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.

Het bericht ‘Soortenbescherming: beschermingsregime voor habitatsoorten‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.