Recente ontwikkelingen in de totstandkoming van wet- en regelgeving dragen eraan bij dat windparken op zee in Nederland daadwerkelijk en op enige schaal kunnen worden gerealiseerd. De Algemene Rekenkamer heeft aan deze geplande ontwikkelingen mogelijk een nieuwe dimensie toegevoegd met het rapport Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+).[1]Daarin concludeert de Algemene Rekenkamer namelijk onder meer dat om de beleidsdoelen voor 2020 en 2023 met de SDE+ te bereiken de Minister van Economische Zaken (EZ) tot 2023 €12,8 miljard aan extra subsidieverplichtingen moet aangaan voor windparken op zee. 

Wetsvoorstel Windenergie op zee

Een belangrijk ijkmoment voor de regulering van wind op zee was de recente instemming van de Tweede Kamer met het wetsvoorstel Windenergie op zee.[2] Dit wetsvoorstel is op 26 maart jl. door de Tweede Kamer aangenomen. Daarnaast zijn we op dit moment in afwachting van de publicatie van het definitieve wetsvoorstel voor de nieuwe Elektriciteits- en Gaswet (in het kader van de wetgevingsagenda STROOM). In de nieuwe Elektriciteits- en Gaswet wordt onder meer de aansluiting van windparken op zee op het landelijk hoogspanningsnet geregeld en in het bijzonder de verantwoordelijkheid van landelijk netbeheerder TenneT voor de aanleg van dat net. Zo nodig zal dit onderdeel van het wetsvoorstel met voorrang door het parlement worden geloodst, zodat TenneT tijdig aan de slag kan.

Nieuwe regelingen

In de tussentijd kunnen stakeholders tot uiterlijk 30 april a.s. hun zienswijzen kenbaar maken op twee concept-regelingen. De concept-Regeling windenergie op zee regelt de subsidieverstrekking voor de realisatie van de eerste twee kavels van het windenergiegebied Borssele (één van de drie nu gekozen locaties naast Hollandse Kust Noord-Holland en Hollandse Kust Zuid-Holland).[3] In de concept-Uitvoeringsregeling Wet windenergie op zee worden de criteria voor de verlening van de windvergunning uitgewerkt.[4]

Verder heeft op 13 april jl. de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) het Waterbesluit gewijzigd ter vereenvoudiging en uniformering van regels voor windparken op zee.[5] In dit besluit worden de aspecten die betrekking hebben op de bouw, de exploitatie en de verwijdering van een windpark geregeld, zoals de meldingsplicht ten aanzien van de oprichting of verandering van een windpark voor aanvang van de bouwperiode en de verstrekking van een verklaring van een onafhankelijke deskundige over het ontwerp van de installaties in een te bouwen windpark.

Alles wijst er dus op dat de ministers van EZ en van I&M de vaart erin houden om de randvoorwaarden voor investeerders in windenergie op zee in gereedheid te brengen. Dat moet ook wel gelet op de beleidsdoelstellingen: er gaat vrijwel geen dag voorbij dat we niet herinnerd worden aan de noodzaak om het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen te doen toenemen. Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen schrijft nu eenmaal voor dat het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen als wind, water en zon in Nederland in 2020 14 % moet zijn.[6] 

Rapport Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer concludeerde echter in haar recente rapport Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) dat in Nederland de duurzaamheidsdoelstelling niet zal worden bereikt als de subsidieregeling voor de stimulering van de productie van duurzame energie niet wordt gewijzigd. De Algemene Rekenkamer ziet twee kansrijke oplossingen voor dit probleem waarvan er één is het beschikbaar stellen van extra SDE+ subsidie voor windmolenparken op zee.

Uitbreiding SDE+

Dit zou als volgt in zijn werk gaan. Het systeem van de SDE+ regeling is – kort gezegd – dat per techniek vooraf een basisbedrag wordt bepaald. Dit basisbedrag bestaat uit de kostprijs om met de techniek energie te produceren. Zolang het meer geld kost om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren dan de producent via de energieprijs op de markt terugkrijgt, is subsidie nodig. De SDE+ subsidieert het verschil tussen de genormeerde kostprijs en de prijs die de producent op de markt krijgt voor de geleverde energie. Als de marktprijs onder een bepaalde grens zakt, neemt de subsidie niet meer toe; dat risico is voor de producenten.

Het voorstel in het rapport van de Algemene Rekenkamer – dat in belangrijke mate is gebaseerd op bevindingen van ECN – is de maximale basisbedragen voor windenergie op zee te verhogen. Hierdoor kunnen projecten op lastige en dus relatief dure locaties in aanmerking komen voor SDE+, aldus het rapport. In zijn reactie op het rapport wijst de minister van EZ het voorstel van de Algemene Rekenkamer niet expliciet van de hand. Hij wil echter op basis van de Nationale Energieverkenning 2015 en de evaluatie van het Energieakkoord in 2016 bepalen of aanvullende maatregelen nodig zijn om de duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. De Algemene Rekenkamer meent echter (blijkens haar nawoord in het rapport) dat als een beslissing over aanvullende beleidsmaatregelen wordt uitgesteld tot 2016, het te laat zal zijn om de doelen binnen het afgesproken tijdpad te halen.

Voor investeerders in windenergie op zee biedt de evaluatie van het Energieakkoord in 2016 voor dit moment onvoldoende perspectief. Volgens de concept-Regeling windenergie op zee 2015 zullen de subsidieaanvragen voor kavel I en II immers uiterlijk 31 maart 2016 moeten zijn ingediend. Dat neemt niet weg dat een pleidooi voor aanvullende SDE+ maatregelen ten gunste van windenergie op zee een extra stimulans kan geven voor het vervolg op de subsidietenders en daarmee de verdere uitrol van windenergie op zee.