Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (Afdeling), heeft het Europese Hof van Justitie (het Hof) geoordeeld dat de opslaglocatie voor een kolencentrale deel uitmaakt van een “installatie” als bedoeld in art. 3, onder e), van Richtlijn 2003/87/EG.

Deze vraag kwam op in een procedure tussen Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland NV (EPZ) en de Nederlandse Emissieautortiet (NEa) over de vraag of op de totale hoeveelheid kolen een aftrek mag worden toegepast voor “broei”. Broei is het proces waarbij zuurstof uit de lucht reageert met de kolen, waardoor een deel van de steenkool verloren gaat (deze ‘verbranding’ vindt weliswaar niet plaats binnen de kolencentrale maar levert wel uitstoot van CO2 op).

Eerst moest daartoe worden vastgesteld of de kolenopslag deel uitmaakt van een “installatie”. Het Hof acht daartoe doorslaggevend of sprake is van een technisch verband dat rechtstreeks samenhangt met de activiteit van de centrale. Het Hof oordeelt dat de enkele omstandigheid dat de opslag van kolen onontbeerlijk is voor de werking van de centrale, op zich volstaat om het hiervoor genoemde verband aan te nemen. Dat de opslaglocatie zo’n 800 meter van de centrale bevindt en gescheiden is door een openbare weg is volgens het Hof niet van belang.

Door EPZ was gesteld dat de kolen die door broei verloren gaan, geacht moeten worden de installatie (voortijdig) te hebben verlaten zonder in de installatie te zijn verbrand. Het Hof stelde echter vast dat art. 27, lid 2, eerste alinea van de Verordening (EU) nr. 601/2012 moet worden uitgelegd dat steenkool die verloren gaat door broei tijdens de opslag ervan, op een locatie die deel uitmaakt van een installatie, niet kan worden beschouwd als brandstof die deze installatie verlaat. Dit oordeel brengt mee dat bij de uitvoering van de monitoring geen correctiefactor zal mogen worden toegepast voor verlies als gevolg van broei in de kolenopslag.