In het kader van de bestuurlijke lus beschikt de bestuursrechter over de bevoegdheid een tussenuitspraak te wijzen vooruitlopend op de einduitspraak. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat in de einduitspraak op eindbeslissingen in een tussenuitspraak slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden teruggekomen. Een dergelijk uitzonderlijk geval deed zich voor in het kader van de procedure over het bestemmingsplan “Tramlijn Vlaanderen – Maastricht”, waarover de Afdeling op 10 februari 2016 uitspraak deed.

Achtergrond

Op 18 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Maastricht het bestemmingsplan “Tramlijn Vlaanderen – Maastricht” vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk een deel van een tramlijn tussen Maastricht en Hasselt (België) te realiseren. Bij tussenuitspraak van 11 februari 2015(ECLI:NL:RVS:2015:353) heeft de Afdeling de gemeenteraad van Maastricht opgedragen enkele gebreken in dit plan te herstellen. In deze tussenuitspraak (r.o. 18) werd tevens geoordeeld dat de beroepsgronden met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan geen aanleiding geven voor vernietiging.

Bij besluit van 12 mei 2015 heeft de gemeenteraad, conform de opdracht van de Afdeling, het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Het gewijzigde bestemmingsplan is op grond van artikel 6:19 Awb mede onderwerp van de beroepsprocedure tegen het besluit van 18 februari 2014.

In het kader van het wijzigingsplan stellen appellanten dat het plan niet binnen de planperiode uitvoerbaar zou zijn. Zij verwijzen daarvoor naar een review van het trambaanproject waarin wordt geconcludeerd dat het tracé zoals dat in het bestemmingsplan is opgenomen tot technische problemen leidt en een kostenoverschrijding met zich brengt.

Terugkomen op eindbeslissingen in een tussenuitspraak

Over dit betoog van appellanten overweegt de Afdeling dat de uitvoerbaarheid geen onderdeel vormt van de door de Afdeling aan de raad gegeven opdracht en de wijze waarop de raad daaraan uitvoering heeft gegeven. Over de uitvoerbaarheid van het plan is in r.o. 18 van de tussenuitspraak een eindbeslissing gegeven en de Afdeling kan behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel, aldus de Afdeling.

De Afdeling overweegt vervolgens echter dat hier sprake zou kunnen zijn van een dergelijk uitzonderlijk geval waarin het terugkomen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel is gerechtvaardigd. Na het doen van de tussenuitspraak heeft de Afdeling namelijk moeten vaststellen dat de review waar appellanten naar verwijzen, ten tijde van de eerste zitting al in conceptversie gereed was. De Afdeling acht dit van belang, omdat de conclusies uit deze conceptversie niet verschillen van de eindversie, waaruit blijkt dat er problemen zijn die verstrekkende gevolgen voor de realisatie van het tramproject zullen hebben.

De gemeente (althans naar wij aannemen de betrokken ambtenaren) hebben de voorlopige resultaten uit de conceptversie om “de gemeente moverende redenen” niet naar buiten gebracht. Wel zijn de voorlopige reviewresultaten vertrouwelijk gerapporteerd aan het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders. Hierop overweegt de Afdeling:

Gelet op deze gang van zaken is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat het terugkomen op het in de tussenuitspraak gegeven oordeel met betrekking tot de uitvoerbaarheid rechtvaardigt, indien tot de conclusie moet worden gekomen, dat indien de Afdeling wel van de juiste feitelijke grondslag zou zijn uitgegaan dat tot een ander oordeel over dit aspect van het bestreden besluit zou hebben geleid. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om in het licht van hetgeen na de tussenuitspraak naar voren is gebracht te bezien of de raad zich bij zijn standpunt dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar is heeft mogen baseren op de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken.

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan

Ondanks dat de wijze van uitvoering en de technische problemen bij de aanleg van de trambaan op zichzelf niet ter beoordeling staan, beziet de Afdeling dus of de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat zwaarwegende technische problemen bij de aanleg van de trambaan aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. In overeenstemming met artikel 3.1.6 lid 1 aanhef en onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan immers inzichtelijk te maken dat het binnen de planperiode uitvoerbaar is.

De Afdeling komt uiteindelijk tot het oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek tekort schiet om als grondslag te dienen voor het standpunt dat er op voorhand in redelijkheid van kon worden uitgegaan dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar is. De Afdeling acht in dat kader van belang dat uit de review blijkt dat de gerezen problemen van technische aard niet van beperkte omvang zijn, de gemeente al in 2007 op deze risico’s is gewezen, de conclusies uit de conceptversie van de review niet verschillen van de eindversie en niet is uitgesloten dat de aangedragen alternatieven dezelfde ruimtelijke uitstraling hebben als het in het plan neergelegde traject. De Afdeling vernietigt het bestemmingsplan daarom wegens strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel ex artikel 3:2 Awb.

Lessen voor de praktijk

Het bewust of onbewust achterhouden van informatie die beschikbaar was ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan en door dat achterhouden niet heeft kunnen leiden tot een gegrond beroep in een tussenuitspraak, kan er dus toe leiden dat, indien de informatie alsnog bekend wordt, de Afdeling terugkomt op een eindoordeel in een tussenuitspraak. Er is dan sprake van een “uitzonderlijk geval”.

Overigens kan dit achterhouden ook een rol spelen indien de tussenuitspraak en de einduitspraak onherroepelijk zijn. Er kan dan worden verzocht om herziening van hetzij de tussenuitspraak (artikel 8:119 juncto 8:80a Awb), hetzij de einduitspraak (artikel 8:119 Awb). Vereist is daarvoor dat sprake is van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Hoewel een herzieningsverzoek in deze uitspraak niet aan de orde is, valt op dat de Afdeling in deze uitspraak de facto aansluit bij de criteria voor toewijzing van een herzieningsverzoek.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 februari 2016

Zaaknummer: 201402870/2/R6

ECLI:NL:RVS:2016:298