Bij arrest van 9 januari 2014 (nr. 226.008) sprak de Raad van State zich uit over een vraag die vandaag nog even actueel is, met name hoe de regeling van de erkenning van de aannemer zich verhoudt in het kader van een raamovereenkomst voor werken (zie hieromtrent ook het arrest nr. 230.653 van 25 maart 2015). 

De verzoekende partij had immers vastgesteld dat ten minste 17 van de gekozen ondernemingen de gunning van de opdracht hadden verkregen, terwijl die veruit hun zogenaamde aannemingsklasse zou overschrijden. Dit strookte volgens de verzoekende partij niet met de regel dat overheidsopdrachten voor werken in beginsel slechts mogen worden gegund aan aannemers die op het ogenblik van de gunning hiervoor zijn erkend of daartoe de nodige bewijzen kunnen voorleggen. 

De verzoekende partij merkte ook op dat een aantal ondernemingen te veel opdrachten (zonder een onderscheid te maken tussen de opdrachten in de openbare en private sector) gelijktijdig zouden uitvoeren, gezien het bedrag van deze opdrachten samengenomen door de erkenningsklasse is gelimiteerd en dus niet mag worden overschreden.

De Raad van State veegde deze argumenten evenwel van tafel op grond van een letterlijke lezing van de wetgeving. Volgens de Raad is het inderdaad correct dat aannemers moeten beschikken over de vereiste erkenningsklasse of andere bewijzen, maar moet deze voorwaarde slechts zijn vervuld op het ogenblik van de gunning. De Raad merkte daarbij op dat de erkenningsvoorwaarden pas definitief worden bepaald door het bedrag van de inschrijving. Men kan de vereiste erkenningsklasse dan ook pas definitief vaststellen van zodra dit bedrag vaststaat. 

De Raad stelde dat, in het kader van een raamovereenkomst, het goed te keuren bedrag van de concrete opdrachten pas kan worden bepaald in functie van de effectief in het kader van deze raamovereenkomst geplaatste bestellingen, en dat de klasse waarvoor de aannemer erkend moet zijn bepaald wordt in functie van het goed te keuren bedrag van elke concrete opdracht.

Op grond van een letterlijke lezing van de wetgeving besloot de Raad van State met andere woorden dat de erkenningstoestand van de inschrijver pas bij de gunning van de deelopdracht(en) moet worden herbekeken, en het bijgevolg onbelangrijk is dat de inschrijvers bij de gunning van de raamovereenkomst nog niet over de vereiste erkenningsklasse of andere bewijzen beschikten.