Ook in 2015 heeft de Nederlandse rechter laten zien dat Nederland een aantrekkelijke jurisdictie is voor follow-on zaken. Niet alleen omdat de Nederlandse rechter al snel haar eigen bevoegdheid aanneemt, maar ook omdat voor het eerst daadwerkelijk een schadevergoeding is vastgesteld. De verwachting is dat deze lijn zich ook in 2016 zal voortzetten. Bovendien zal 2016 een belangrijk jaar worden voor de (implementatie van de)richtlijn schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht (“Richtlijn”).

Bevoegdheidskwesties

In zowel de follow-on procedure naar aanleiding van het natriumchloraatkartel als in de follow-on procedure naar aanleiding van het spanstaalkartel hebben (enkele) karteldeelnemers (gedaagden in de procedures) de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist. Volgens deze gedaagden zou de noodzakelijke nauwe band tussen de vorderingen die tegen hen zijn ingesteld en die tegen de in Nederland gevestigde ankergedaagden zijn ingesteld ontbreken. De rechter oordeelde in beide kartelschadeclaimprocedures echter dat wel degelijk sprake was van een nauwe band aangezien bij beide kartels sprake was van een enkele voortdurende inbreuk. In het natriumchloraatkartel was de omstandigheid dat ankergedaagde Akzo als (groot)moedervennootschap van karteldeelnemer Kemira niet rechtstreeks betrokken was bij de uitvoering van de verboden mededingingsregeling volgens het gerechtshof niet van belang voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Bovendien was in beide zaken voor de gedaagden voorzienbaar dat zij voor de Nederlandse rechter zouden worden opgeroepen. Immers, de gedaagden in beide follow-on procedures maakten tezamen met een in Nederland gevestigde onderneming deel uit van het natriumchloraatkartel respectievelijk spanstaalkartel. Op basis hiervan achtte de Nederlandse rechter zich in beide zaken bevoegd kennis te nemen van de kartelschadeclaims. Deze procedures zullen in 2016 ongetwijfeld een vervolg krijgen.

Passing-on verweer

In 2015 heeft de Nederlandse rechter zich opnieuw uitgelaten over de toepassing van het passing-on verweer. Met name de follow-on zaken naar aanleiding van het gasgeïsoleerd schakelmateriaal-kartel hebben in dit kader interessante uitspraken opgeleverd (zie ook onze eerdere blogs, klik hierhier en hier). Naar aanleiding van het gasgeïsoleerd schakelmateriaal-kartel is staatsbedrijf TenneT twee separate follow-on procedures gestart tegen de karteldeelnemers Alstom en ABB. Alstom en ABB voerden in beide procedures aan dat TenneT de “overcharge” als gevolg van het kartel heeft doorberekend aan haar afnemers waardoor TenneT zelf geen of hooguit beperkte schade heeft geleden. Daar waar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dit door ABB aangevoerde passing-on verweer nog accepteerde in 2014, werd het door Alstom aangevoerde passing-on verweer – na een belangenafweging – door de rechtbank Gelderland op 10 juni 2015 verworpen. In dit kader heeft de rechtbank de belangen van TenneT en Alstom tegen elkaar afgewogen en meer specifiek het risico op (i) mogelijke overcompensatie van TenneT enerzijds en (ii) de gevolgen van een te lage of te hoge schadevergoeding voor Alstom anderzijds. Op basis hiervan achtte de rechtbank het niet onredelijk dat TenneT “in zekere zin” wordt overgecompenseerd. Deze overcompensatie zal immers, via de Staatskas en de toekomstige energieprijzen, ten goede komen aan de afnemers van TenneT (de eindconsument). Het alternatief, namelijk “dat Alstom c.s. gefaciliteerd wordt om haar onrechtmatig verkregen winst te behouden”, zou volgens de rechtbank onredelijk zijn en zou zelfs kwalificeren als een ongerechtvaardigde verrijking. Om die reden heeft de rechtbank het door Alstom gevoerde passing-on verweer afgewezen en Alstom voorts veroordeeld tot het vergoeden van EUR 14,1 miljoen schade aan TenneT.

Het is de vraag wat de consequenties zijn van deze terughoudende toepassing van het passing-on verweer voor andere follow-on procedures waarin dergelijke verweren worden gevoerd. De zaak TenneT/Alstom was namelijk zeer casuïstisch. Bijzonder aan deze procedure was met name dat TenneT een staatsbedrijf is dat bovendien wordt gereguleerd op basis van sector-specifieke energiewetgeving. Naar alle waarschijnlijkheid zal het passing-on verweer ook in 2016 weer een rol krijgen in kartelschadeprocedures. Zo heeft TenneT in de zaak tegen ABB cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof.

Luchtvrachtkartel

Ook in de follow-on procedures die aanhangig zijn gemaakt naar aanleiding van het luchtvrachtkartel heeft in 2015 een aantal interessante ontwikkelingen plaatsgevonden. De belangrijkste ontwikkeling is dat het Gerecht bij arrest de beschikking van de Europese Commissie vernietigde. Het Gerecht oordeelde dat tussen de gronden van de beschikking van de Europese Commissie en het uitvoerende gedeelte van de beschikking een inconsistentie bestond waardoor de geadresseerden van de beschikking van de Commissie in hun rechten van verdediging zijn geschaad. Derhalve heeft het Gerecht de beschikking van de Europese Commissie vernietigd (voor zover het de geadresseerde luchtvaartmaatschappijen betreft die hiertegen beroep hadden ingesteld). De vraag rijst nu wat de consequentie van het arrest van het Gerecht is voor de aanhangige follow-on procedures. Vooralsnog lijken deze gevolgen mee te vallen. In de eerste plaats kan de Europese Commissie de gebreken in haar beschikking herstellen door een nieuwe beschikking vast te stellen of door hiertegen in beroep te gaan bij het Hof van Justitie. In de tweede plaats heeft een aantal eisers zich niet (uitsluitend) beroepen op de beschikking van de Europese Commissie maar op door henzelf geconstrueerde feiten die het bestaan van een mededingingsinbreuk moeten aantonen. In dat geval is weliswaar geen sprake meer van een follow-on maar van een stand-alone kartelschadeclaim, maar dat doet er niet aan af dat de civiele rechter in theorie ook op basis van door de eiser zelf aangevoerde feiten (en derhalve los van de beschikking van de Europese Commissie) kan overgaan tot vaststelling van een schadevergoeding.

Richtlijn schadevorderingen

In 2015 is de Nederlandse overheid druk bezig geweest met de implementatie van de Richtlijn die op 26 december 2014 in werking is getreden. Deze Richtlijn beoogt het voor benadeelden van een inbreuk op het mededingingsrecht makkelijker te maken om de door hen geleden schade te verhalen op de karteldeelnemers. In 2015 heeft de overheid de door haar opgestelde implementatiewet ter consultatie voorgelegd. Op 27 december 2016 dient de Richtlijn te zijn geïmplementeerd door de lidstaten. De definitieve implementatiewet is derhalve in 2016 te verwachten. Voor Nederlandse follow-on zaken zal deze Richtlijn (alsmede de implementatiewet) in de praktijk van geringe betekenis zijn (zie ook onze eerdere blog). Immers, door de huidige Nederlandse wetgeving worden de (meeste) door de Richtlijn nagestreefde doelstellingen al bereikt. 

Vanwege de aantrekkelijkheid van Nederland als kartelschadeclaimland, zal 2016 vermoedelijk nog meer interessante follow-on zaken brengen. Zo hebben ConsumentenClaim en de Consumentenbond aangekondigd te gaan samenwerken om een compensatieregeling af te dwingen voor consumenten die tussen 1996 en 2006 teveel hebben betaald als een gevolg van het door de Europese Commissie beboetebeeldbuiskartel.