De Hoge Raad oordeelde op 29 mei 2015 (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1413) dat het bij de beoordeling van de vraag of een commanditair vennoot het beheersverbod heeft overtreden en daardoor hoofdelijk aansprakelijk wordt, van belang is of de wederpartij op de hoogte was van de commanditaire status van de betrokken vennoot. De Hoge Raad kwam daarmee terug op zijn arrest van 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius).

De Commanditaire Vennootschap (”CV”) wordt, als bijzondere vennootschap onder firma (”VOF”), beheerst door de regels van titel 3 van het Wetboek van Koophandel (”WvK”). Uit deze regeling volgt dat de CV, anders dan de VOF, twee soorten vennoten kent: ‘beherende’ en ‘commanditaire’ vennoten. De commanditaire vennoten vervullen de rol van geldschieter en zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de CV boven hun inbreng (art. 20 lid 3 WvK). Beherende vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de CV (art. 18 WvK).

Commanditaire vennoten zijn niet bevoegd daden van beheer verrichten (het ‘beheersverbod’ – art. 20 lid 2 WvK). Overtreden zij het beheersverbod, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden en verbintenissen van de CV (art. 21 WvK). Het (mede) ondertekenen van één enkele overeenkomst is al voldoende voor de hoofdelijke aansprakelijkheid. In zijn arrest van 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius) oordeelde de Hoge Raad dat het daarbij niet van belang is of de wederpartij op de hoogte is van het feit dat hij met een commanditair vennoot te maken heeft.

In de casus van bovengenoemd arrest werd een onderneming gedreven in de vorm van een CV. De commanditaire vennoten hebben een huurovereenkomst en een huurbeëindigingsovereenkomst (mede) namens de CV ondertekend. Vervolgens is de aan de CV verbonden onderneming overgenomen. In de koopovereenkomst is bepaald dat de CV zorg zal dragen voor afrekening van reeds opgebouwde vergoedingen aan personeelsleden. De koper van de onderneming heeft nadien een bedrag van EUR 1037,79 aan een personeelslid betaald. Hij vordert hoofdelijke veroordeling van de commanditaire vennoten tot betaling van genoemd bedrag. Hij voert daartoe aan dat de commanditaire vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn, omdat zij het beheersverbod hebben overtreden. De rechtbank en het hof hebben deze vordering toegewezen.

In cassatie werd in het belang der wet vernietiging gevorderd van de uitspraak van het hof. Hierbij werd aangevoerd dat het hof ten onrechte bij de uitleg van art. 21 WvK geen belang toekent aan de omstandigheid dat de wederpartij op de hoogte was van de hoedanigheid van de commanditaire vennoten.

De Hoge Raad bepaalde dat de sanctiebepaling als strekking heeft te voorkomen enerzijds dat een commanditaire vennoot ten name van de vennootschap aan het handelsverkeer deelneemt alsof hij beherend vennoot is en op die manier misbruik maakt van de bescherming die hij geniet als commanditaire vennoot, en anderzijds dat derden door het optreden van een commanditaire vennoot in de veronderstelling kunnen worden gebracht dat zij van doen hebben met een beherend vennoot, die met zijn gehele vermogen instaat voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap.

De sanctie die artikel 21 WvK stelt op het overtreden van het beheersverbod door een commanditaire vennoot, namelijk dat deze hoofdelijk aansprakelijk wordt jegens alle schuldeisers van de vennootschap voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook die welke zijn ontstaan voor het tijdstip waarop het verbod werd overtreden is dermate verstrekkend dat deze sanctie alleen gerechtvaardigd is indien deze in overeenstemming is met deze strekking van dat artikel en  niet onevenredig mag zijn ten opzichte van de aard en omvang van de overtreding  van het beheersverbod. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om te oordelen dat onder bepaalde omstandigheden de sanctie niet gerechtvaardigd is, of wordt beperkt tot bepaalde handelingen van de commanditaire vennootschap.

Bij de beoordeling  kan van belang zijn of bij derden een onjuiste indruk over de hoedanigheid van de commanditaire vennootschap heeft kunnen ontstaan en of aan de commanditaire vennoot ter zake een verwijt gemaakt kan worden.

Commanditaire vennoten mogen zich in principe niet bemoeien met het vertegenwoordigen van de CV in het rechtsverkeer en mogen daarom geen overeenkomsten (mede) ondertekenen. Dit is een taak die exclusief toekomt aan de beherende vennoten. Treden zij toch naar buiten, dan zijn zij in principe hoofdelijk aansprakelijk voor (alle) schulden van de CV. In gevallen waarin echter wordt gehandeld door een commanditaire vennoot met een wederpartij die op de hoogte was van de hoedanigheid van de commanditaire vennoot, betekent dit niet per se dat de commanditaire vennoot hoofdelijk aansprakelijk is.

Het komt voor dat een wederpartij vereist dat alle vennoten, dus ook de commanditaire vennoten, overeenkomsten (mede) namens de CV ondertekenen. Hiermee wordt het beheersverbod overtreden en geldt de aansprakelijkheidssanctie. Als een commanditaire vennoot toch overeenkomsten ondertekent, verdient het aanbeveling om duidelijk kenbaar te maken en zorgvuldig te documenteren dat de commanditaire vennoot in genoemde hoedanigheid handelt en dat de wederpartij hiervan op de hoogte is.