Het waterrecht is geen rustig bezit. Het opnemen van het waterrecht in de Omgevingswet past dan ook bij de tendens van steeds verdergaande integratie van waterregelgeving. De in 2009 inwerking getreden Waterwet was het resultaat van de integratie van acht wetten die zagen op het waterbeheer. Deze tendens van integratie wordt met de Omgevingswet voortgezet.

De integratie van de regelgeving uit de Waterwet in de Omgevingswet bestaat niet alleen uit het verplaatsen van artikelen uit de Waterwet naar de Omgevingswet. Met de Omgevingswet zal het waterrecht ook enkele wijzigingen ondergaan. Hoewel op het moment van schrijven uiteraard nog niet exact duidelijk is hoe de definitieve Omgevingswet eruit komt te zien, kan aan de hand van het wetsvoorstel en de MvT wel een aantal signaleringen worden gedaan. Hieronder hebben wij deze opgenomen.

Waterschapsverordening en waterbeheerprogramma

Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat decentrale overheden hun regelgeving over de fysieke leefomgeving opnemen in één regeling die op het gehele gebied ziet. Voor het waterrecht geldt dat de Waterschappen hun regelgeving dan ook in één waterschapsverordening moeten opnemen. Hoe deze situatie van één regeling per gebied wordt bereikt, zal de Invoeringswet Omgevingswet duidelijk maken.

Onder het regime van de Omgevingswet is de huidige keur gelijk te stellen met de waterschapsverordening. Beperkingsgebieden moeten in de waterschapsverordening worden opgenomen. Het peilbesluit (artikel 2.41) en de legger (artikel 2.39) hoeven volgens de MvT echter niet in de waterschapsverordening te worden opgenomen. Of zij wel in de waterschapsverordening kunnen worden opgenomen, wordt niet duidelijk uit de Omgevingswet en de MvT.

Het waterbeheerprogramma wordt in de Omgevingswet aangemerkt als een programma. Het uitgangspunt is dat de programma’s van de Omgevingswet het vaststellende bestuursorgaan binden. Verder kennen zij geen hiërarchie en doorwerking in juridische zin. Dit geldt ook tussen bestuursorganen. Met betrekking tot water is hierop een uitzondering gemaakt: met het oog op implementatie van Unierecht houdt het waterschap in het waterbeheerprogramma rekening met het regionale waterprogramma van de provincie.

Bevoegdheden en coördinatieregeling

Overheidsinstanties moeten gezamenlijk voor een doelmatige en doeltreffende ontwikkeling en bescherming van de fysieke leefomgeving zorgen. Om die reden is artikel 2.2 in de Omgevingswet opgenomen. Dit artikel bepaalt dat bestuursorganen met elkaars verantwoordelijkheden voor de fysieke leefomgeving rekening moeten houden. De Waterwet bevat nu al een soortgelijke bepaling (artikel 3.8 Waterwet). Artikel 2.2 Omgevingswet strekt dan ook mede tot borging van het belang van water in een vroeg stadium van besluitvorming door bestuursorganen van het algemeen bestuur.

Met betrekking tot het bevoegd gezag is van belang dat artikel 5.9 Omgevingswet een regeling bevat over het bevoegd gezag bij wateractiviteiten. Dit artikel bepaalt dat de waterbeheerder of de provincie het bevoegd gezag is voor handelingen in het watersysteem waarvoor ingevolge de huidige Waterwet of keur een vergunning is vereist. Voor deze activiteiten moet formeel gezien een aparte aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. Op deze aanvraag volgt vervolgens een apart besluit van de waterbeheerder/provincie; ook het toezicht en de handhaving berusten bij de waterbeheerder/provincie. Wel zal door middel van de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb (op grond van artikel 16.7 Omgevingswet) de gelijktijdige behandeling en besluitvorming van de omgevingsvergunning van de waterbeheerder en de omgevingsvergunning voor de overige activiteiten worden geborgd, als deze door de initiatiefnemer gezamenlijk worden aangevraagd. In verband met de implementatie van de Richtlijn Industriële Emissies (“RIE”) krijgt het bevoegde gezag voor milieubelastende activiteiten op grond van artikel 16.12 in bepaalde situaties doorzettingsmacht. Hiermee kan bij gebrek aan overeenstemming tussen de waterbeheerder en het algemeen bestuur een integrale oplossing worden afgedwongen.

Een ander uitvloeisel van de RIE is dat artikel 5.7 lid 3 Omgevingswet verplicht de afzonderlijke aanvragen voor een omgevingsvergunning voor activiteiten die betrekking hebben op een IPPC-installatie gelijktijdig in te dienen. Wij vragen ons af of deze coördinatieregeling in de Omgevingswet voldoet aan de vereisten van de RIE. Net als in artikel 6.27 Waterwet omvat de coördinatieregel namelijk niet een vergunning voor het onttrekken en infiltreren van grondwater (artikel 5.1 lid 2 sub d Omgevingswet). De Afdeling heeft in dat verband inmiddels geoordeeld dat artikel 7 van de voorganger van de RIE, de IPPC-richtlijn, niet juist in artikel 6.27 Waterwet is geïmplementeerd. Het lijkt ons verstandig dat de Omgevingswet op dit punt aangepast wordt.

Daarnaast is in verband met de RIE voorzien in de bevoegdheid om als één van beide vergunningen wordt gewijzigd of ingetrokken, ook de andere vergunning in te trekken of te wijzigen.

Watertoets

De watertoets is veel in de publiciteit geweest (zie onder andere het interview met Deltacommissaris Wim Kuijken in het NRC op 30/31 augustus 2014). De watertoets is een instrument waarmee in een vroeg stadium aandacht wordt besteed aan de waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten. De huidige watertoets is echter niet in de Omgevingswet opgenomen. Volgens de MvT biedt de algemene samenwerkings- en afstemmingsbepaling van artikel 2.2 van de Omgevingswet een goede basis om vroegtijdig waterbelangen bij de besluitvorming te betrekken. In het recentere “Ontwerpplan – Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan” staat echter dat de watertoets in een AMvB dat onder de Omgevingswet komt te hangen, zal worden opgenomen (p. 33-34). Inmiddels hebben diverse politieke partijen aangegeven dat zij graag zien dat de watertoets in de Omgevingswet zelf wordt opgenomen.

Omgevingsvergunning en projectbesluit

De watervergunning uit de Waterwet wordt geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Volgens de MvT leidt dit tot gebruiksgemak voor de initiatiefnemer, omdat hij één vergunning aanvraagt bij één loket.

Daarnaast worden het projectplan en de coördinatieregeling uit de Waterwet in de Omgevingswet vervangen door het projectbesluit (artikel 5:49 e.v.). Volgens de MvT strekt het projectplan tot een zodanige wijziging van het omgevingsplan dat het project kan worden gerealiseerd en in stand kan worden gehouden. Daarnaast kan het projectbesluit in de plaats treden van de omgevingsvergunning voor activiteiten die deel uitmaken van het project en van andere benodigde toestemmingen.

Uitgeklede Waterwet

Onze laatste constatering is dat de regels over het deltaprogramma, de deltacommissaris en hoofdstuk 7 (het deltafonds, heffingen en financiering en bekostiging primaire waterkeringen) in de uitgeklede Waterwet achterblijven. Deze regels zullen vermoedelijk in een later stadium worden opgenomen in de hoofdstukken 3, 13 en 17 van de Omgevingswet. Volgens de MvT zijn deze onderdelen niet nodig om het stelsel van de Omgevingswet te laten functioneren en blijven deze onderdelen om die reden vooralsnog achter in de Waterwet.

Tot slot

De integratie van (het grootste deel) van de Waterwet in de Omgevingswet is een omvangrijke wetgevingsoperatie met lovenswaardige doelstellingen. Wij vragen ons wel af of de beoogde vereenvoudiging en versnelling van procedures daadwerkelijk wordt bereikt. Te meer omdat de praktijk relatief kort na inwerkingtreding van de Waterwet de werkwijze weer moet aanpassen aan een nieuw wettelijk stelsel. Bovendien worden vooralsnog niet alle onderdelen geïntegreerd in de Omgevingswet. Omdat ook wij hopen dat de hiervoor genoemde doelstellingen van de Omgevingswet worden bereikt, kijken wij uit naar het vervolg van het wetgevingsproces.