Vandaag behandelt de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers. Het is een initiatiefvoorstel: onze volksvertegenwoordiging vindt dit onderwerp zo belangrijk, dat zij niet wil wachten op een voorstel van de regering tot wetswijziging. Dat heeft zij vermoedelijk ook wel goed gezien, want waarom zou de regering een wetsvoorstel indienen dat – onder meer – haar eigen onschendbaarheid voor het strafrecht opheft?

De situatie nu

Als eerste kent ons strafrecht een aantal ambtsmisdrijven, delicten die specifiek gelden voor overheidsdienaren in functie. Daarop heeft dit wetsvoorstel geen betrekking. Vanmiddag debatteert de Eerste Kamer over de strafbaarheid van de overheid als rechtspersoon. Net zoals in de private sector niet alleen de werknemers en de directie maar ook een bedrijf zelf strafrechtelijk kan worden aangesproken, geldt dit in principe ook voor de overheid. Dit is geregeld in art. 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dat de strafbaarstelling van rechtspersonen en hun feitelijk leidinggevenden mogelijk maakt. Gedacht kan worden aan een dodelijk bedrijfsongeval, waarbij onvoldoende voorzorgsmaatregelen waren genomen.

Artikel 51 Sr maakt dus geen principieel onderscheid tussen private en publieke rechtspersonen, maar de Hoge Raad doet dat wel. Voor de Staat heeft hij in het Volkel-arrest een algemene vervolgingsuitsluitingsgrond aanvaard: de Staat is daardoor volledig immuun voor het strafrecht. Lagere overheden zijn op grond van de Pikmeer-arresten wel vervolgbaar, behalve wanneer het delict is gepleegd in het kader van de uitoefening van een exclusieve bestuurstaak. Vermeldenswaard is dat deze immuniteiten doorwerken op persoonlijk niveau: zodra de overheidsrechtspersoon immuun is, dan zijn de betrokken ambtsdragers (zoals Ministers, gedeputeerden, wethouders) en ambtenaren dat ook (tenzij hun een ambtsmisdrijf kan worden verweten). Eén verdere nuance: als de ambtsdrager of ambtenaar heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, dan vervalt zijn strafbaarheid. Deze rechtvaardigingsgrond is opgenomen in artikel 42 Sr.

Het initiatiefvoorstel

Dit plaatje verandert aanzienlijk als het wetsvoorstel wordt aangenomen. Aan artikel 51 Sr wordt dan toegevoegd dat publiekrechtelijke rechtspersonen op gelijke voet met andere rechtspersonen vervolgbaar zijn. Daarmee snijdt de wetgever de Hoge Raad de weg af om zijn immuniteitsrechtspraak voort te zetten. Wat het wetsvoorstel echter met de ene hand geeft, wordt met de andere hand voor een flink deel teruggenomen. Artikel 42 wordt namelijk uitgebreid met de bepaling dat publiekrechtelijke rechtspersonen en ambtenaren niet strafbaar zijn als zij handelen ter uitvoering van een wettelijke publieke taak. Het verschil met de eerder genoemde ‘exclusieve bestuurstaak’ laat ik hier even rusten en concentreer mij op het doel en de effecten van deze wetswijziging.

De initiatiefnemers willen met het voorstel het normbesef en de geloofwaardigheid van de overheid vergroten. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de overheid, net als een bedrijf, een deelnemer is aan het maatschappelijke verkeer en dan ook gebonden moet zijn aan dezelfde regels, ook die van het strafrecht. Het effect in de praktijk zal zijn dat het OM (de officier van justitie bij het functionele parket) gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk kan vervolgen, evenals wethouders, gedeputeerden en ministers. De strafrechter kan vervolgens straffen opleggen.

Voor welk probleem een oplossing?

Het wetsvoorstel heeft nogal wat kritiek ontmoet. Minister Van der Steur vindt het voorstel onnodig, de gemeenten (VNG) vrezen met hoogleraar Elzinga voor verkramping van het overheidsapparaat en Van Sliedregt heeft in een advies voor de Nederlandse Juristen Vereniging betoogd dat het inconsistent is als de Staat tegelijkertijd handhaver (OM) en voorwerp (verdachte) van het strafrecht is. Anderzijds vindt zij dat de uitzondering van de ‘wettelijke publieke taak’ voor lagere overheden wel kan vervallen: volledige immuniteit voor de Staat dus, en geen immuniteit voor de lagere overheden.

Ik vraag mij af of het wetsvoorstel in de huidige vorm wel een oplossing biedt die bij het probleem past. Voor normbesef en geloofwaardigheid is het met name belangrijk dat de personen binnen de overheid die verantwoordelijk zijn voor delicten van de overheidsrechtspersoon, daarop aangesproken kunnen worden, ook strafrechtelijk. Dat kan echter ook prima geregeld worden zonder bestraffing van de rechtspersoon zelf. Temeer omdat de toegevoegde waarde daarvan laag is: opgelegde boetes of de opbrengsten van ontnemingsmaatregelen vloeien terug in de overheidskas terwijl het reinigende effect van het ‘strafblad’ laag is. Burgers kunnen wel besluiten om geen Volkswagen meer te kopen, maar dat zij gaan verhuizen omdat zij niet in een strafrechtelijk veroordeelde gemeente willen wonen, lijkt ons onwaarschijnlijk.

Kortom

Een gunstig effect van het initiatiefvoorstel is met name dat feitelijk leidinggevenden binnen de overheid zich niet langer zullen kunnen verschuilen achter de immuniteit van de overheid zelf. Dat had wat ons betreft ook wel geregeld kunnen worden zonder de bestaande immuniteit van de centrale en lagere overheden op te heffen. Het bestraffen van de ene overheid door de andere heeft nu eenmaal iets gekunstelds, terwijl de positieve effecten van een professioneel strafrechtelijk onderzoek ook aanwezig zijn als dit onderzoek zich beperkt tot de verantwoordelijke ambtsdragers en ambtenaren.