Naar aanleiding van een evaluatie van de Warmtewet die begin dit jaar is uitgevoerd, heeft de Minister van Economische Zaken (Minister) op 7 juli 2016 een wijzigingsvoorstel ter consultatie voorgelegd (Wijzigingsvoorstel). Het Wijzigingsvoorstel moet leiden tot een beter functionerende bescherming van de gebonden consumenten die te maken hebben met een monopolist als warmteleverancier en beoogt een aantal knelpunten op te lossen. In het hiernavolgende wordt in vogelvlucht stilgestaan bij de wijzigingen die op dit punt zijn voorgesteld.

De Warmtewet

De Warmtewet heeft twee hoofddoelen, te weten i) consumentenbescherming en ii) het bieden van leveringszekerheid. Aanvankelijk werd gedacht dat de consument vooral moest worden beschermd, omdat de warmteleveranciers met hun monopoliepositie woekerwinsten zouden behalen1. In de praktijk blijkt hier geen sprake van; de vraag is juist of warmteleveranciers hun ‘business case’ wel rond krijgen onder de tariefregulering van de Warmtewet. Ten behoeve van deze oorspronkelijke doelen legt de Warmtewet een aantal verplichtingen op aan ‘leveranciers’. Deze verplichtingen zijn opgenomen, omdat warmteleveranciers een monopoliepositie hebben ten opzichte van de kleinverbruikers die op hun net zijn aangesloten.

Beperking leveranciersbegrip: Warmtewet niet van toepassing bij huur inclusief services

Onder de huidige Warmtewet is onduidelijk wie precies als ‘leverancier’ in de zin van de Warmtewet moeten worden aangemerkt. In het Wijzigingsvoorstel heeft de Minister daarom beoogd meer duidelijkheid te scheppen over het antwoord op de vraag wanneer sprake is van levering (door een leverancier) in de zin van de Warmtewet. Hiertoe is artikel 1a lid 1 in het Wijzigingsvoorstel opgenomen, waarin twee categorieën van leveranciers worden uitgezonderd van het toepassingsbereik van de Warmtewet. De Warmtewet is niet van toepassing op leveranciers die tevens een Vereniging van Eigenaren (VvE) (of een coöperatieve vereniging) vormen. De Warmtewet is daarnaast niet van toepassing op levering waarbij de leverancier tevens optreedt als verhuurder en de warmtelevering onderdeel uitmaakt van de huurovereenkomst2. De reden daarvan is dat de kosten van warmtelevering kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 7:237 derde lid BW. Huurders zijn op grond van het huurrecht in het algemeen dus al beschermd tegen ‘te hoge prijzen’. In de praktijk zouden zowel de bepalingen uit het huurrecht als de bepalingen uit de Warmtewet van toepassing zijn op huurovereenkomsten waarin de levering van warmte als onderdeel is opgenomen, dit leidt in sommige situaties tot verwarring over de kosten die bij de huurder in rekening mogen worden gebracht. In het Wijzigingsvoorstel is opgenomen dat dergelijke ‘leveranciers’ niet (langer) onder het ‘leveranciersbegrip’ in de Warmtewet vallen. De verplichtingen uit de Warmtewet zijn niet van toepassing op leveranciers in de zin van artikel 1a lid 1 van het Wijzigingsvoorstel, behoudens de verplichting over het (in bepaalde situaties) beschikbaar stellen van meters en het uitlezen daarvan en de verplichting over het hebben van een kostenverdeelsystematiek zoals opgenomen in artikel 8a van de Warmtewet. Ook (het in het Wijzigingsvoorstel geïntroduceerde) artikel 8a lid 5 van de Warmtewet is van toepassing op leveranciers in de zin van artikel 1a lid 1 van het Wijzigingsvoorstel. Dit artikel bepaalt dat bepaalde correctiefactoren kunnen worden toegepast in de kostenverdeelsystematiek bij bestaande bouw. Correctiefactoren corrigeren het individuele gebruik van een verbruiker dat is gemeten door middel van een individuele meter, warmtekostenverdelers of een warmtekostenverdeelsystematiek aan de hand van de ligging van de woonruimte in het gebouw. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de leidingverliezen via transportleidingen. Deze factoren hebben namelijk invloed op het verbruik. Uit het Wijzigingsvoorstel wordt niet duidelijk waarom deze correctiefactoren niet bij nieuwbouw zouden mogen worden toegepast.

Daarnaast is in artikel 3a van het Wijzigingsvoorstel - kort gezegd - bepaald dat een gebouweigenaar verantwoordelijk is voor het onderhoud van het inpandige warmtenet, tenzij de gebouweigenaar en de leverancier hierover andere afspraken maken. Dit is ook logisch, omdat het inpandig warmtenet in de regel het eigendom is van de gebouweigenaar. In artikel 3a tweede lid van het Wijzigingsvoorstel staat dat de verbruiker die is aangesloten op een inpandig warmtenet, de leverancier kan aanspreken voor de compensatievergoeding bij een storing op het inpandig warmtenet. Dit is opmerkelijk: de leverancier heeft namelijk helemaal geen contractuele verhouding met de desbetreffende verbruiker en bovendien is zij niet de eigenaar van het inpandige warmtenet. De leverancier kan dus helemaal niets tegen een storing doen. De leverancier kan vervolgens overigens wel regres nemen op de gebouweigenaar.

Uitbreiding leveranciersbegrip: Warmtewet van toepassing op levering aan gebouweigenaren

In het verlengde daarvan is in artikel 1 van het Wijzigingsvoorstel bepaald dat verbruikers met een aansluiting van meer dan 100 kW die tevens optreden als verhuurder voor een verbruiker met een aansluiting van minder dan 100 kW of een VvE waarbij een verbruiker met een aansluiting van minder dan 100 kW is aangesloten, worden aangemerkt als verbruiker in de zin van de Warmtewet. Dit betekent dat de verplichtingen uit de Warmtewet wel op deze levering van toepassing zijn en dat eigenaren van grote bedrijfsverzamelgebouwen de 'bescherming' van de Warmtewet genieten. Het lijkt erop dat in het Wijzigingsvoorstel nog niet is doordacht wat dit bijvoorbeeld zou moeten betekenen voor de kosten die voor een aansluiting van zo een gebouw in rekening kunnen worden gebracht.

Verhuurders voor een verbruiker met een aansluiting van meer dan 100 kW of een VvE waarbij een verbruiker met een aansluiting van meer dan 100 kW is aangesloten, worden ook in het Wijzigingsvoorstel niet aangemerkt als verbruiker in de zin van de Warmtewet. Zij blijven buiten het toepassingsbereik van artikel 1 van de Warmtewet. Dat is ook logisch, omdat ‘consumentenbescherming’ één van de hoofddoelen is van de Warmtewet en daar vallen dergelijke verbruikers duidelijk niet onder.

Opmerkingen ter afsluiting

Een deel van de onduidelijkheden uit de Warmtewet wordt verhelderd met dit Wijzigingsvoorstel. Vooral de positie van gebouweigenaren die verhuren inclusief services is behoorlijk verduidelijkt. Zij hebben (met succes zo lijkt het) een lobby gevoerd om niet onder de vergunning- c.q. meldingsplicht van artikel 9 van de Warmtewet te vallen. Ook voor de positie van een VvE brengt het Wijzigingsvoorstel duidelijkheid. In zoverre vormt het Wijzigingsvoorstel een nuttige aanpassing.

Het Wijzigingsvoorstel bevat echter ook onduidelijkheden die nader zullen moeten worden uitgewerkt. Nu het Wijzigingsvoorstel ter consultatie is voorgelegd en een flink aantal marktpartijen hun input heeft geleverd, zou het niet verbazen als die input in het daadwerkelijke wetsvoorstel (dat naar verwachting eind 2016 bij de Tweede Kamer wordt ingediend) wordt verwerkt, zodat het wetvoorstel meer verduidelijking brengt. Meer verduidelijking in de Warmtewet is ook geen overbodige luxe, gelet op de ‘Kamerbrief warmtevisie’ van de Minister van Economische Zaken van april 2015. Uit deze warmtevisie werd namelijk duidelijk dat het plan is om in de toekomst meer gasnetten te vervangen door warmtenetten. In de toekomst zullen dus steeds meer partijen met de Warmtewet te maken krijgen.