Hoewel een schriftelijke aanzegging van een bestuursorgaan onder de Awb niet als stuitingshandeling is aan te merken, kan de aanzegging daarmee onder omstandigheden wel gelijk worden gesteld.

De bevoegdheid van een bestuursorgaan om betaling van een geldsom in te vorderen verjaart vijf jaar nadat de betreffende betalingstermijn is verstreken. Voor de invordering van verbeurde dwangsommen is die verjaringstermijn gesteld op één jaar. De verjaring van die termijn kan door een bestuursorgaan worden gestuit. Daarvoor is een stuitingshandeling vereist. De Awb schrijft limitatief voor wat voor een bestuursorgaan als zo'n stuitingshandeling kwalificeert.

Dergelijke stuitingshandelingen bestaan voor een bestuursorgaan op grond van artikel 4:105 Awb in beginsel uit het instellen van een eis of een daad van rechtsvervolging. Daarnaast worden in artikel 4:106 Awb ook een schriftelijke aanmaning tot betaling binnen 2 weken, een beschikking tot verrekening, een dwangbevel en een handeling ter uitvoering van een dwangbevel als stuitingshandelingen van een bestuursorgaan aangemerkt.

In twee uitspraken van 27 juli 2016 stelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een schriftelijke aanzegging van het college van B&W, waarin het zich een aanspraak op betaling van verbeurde dwangsommen voorbehoudt, gelijk met een stuitingshandeling. Dat is opvallend. Zo'n schriftelijke aanzegging valt immers niet onder de voornoemde stuitingshandelingen voor bestuursorganen zoals voorzien in de Awb. De wetgever heeft de schriftelijke aanzegging zelfs expliciet (MvT 4e Tranche Awb) alleen als stuitingshandeling voor schuldeisers van een bestuursorgaan, en niet voor het bestuursorgaan zelf, in artikel 4:107 van de Awb opgenomen.

De Afdeling neemt het voorgaande in haar uitspraken ook als uitgangspunt. Echter, vanwege de bijzondere omstandigheden in de voorliggende situaties is de Afdeling van oordeel dat de schriftelijke aanzegging van het college van B&W toch als stuitingshandeling moet kunnen werken. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het college van B&W de overtreder al eerder aanmaningen had verzonden, dwangbevelen had betekend en beslag had gelegd. Daarnaast bleek volgens de Afdeling uit de schriftelijke aanzegging onmiskenbaar dat het college van B&W niet berustte in het niet betalen van de verbeurde dwangsommen. Met de schriftelijke aanzegging was verjaring daarom tijdig gestuit en het college van B&W nog steeds bevoegd tot invordering.

Voor het bestuursorgaan is dit een zekere verruiming van de invorderingsbevoegdheid, voor de overtreder geldt: niet te vroeg juichen dus.

Lees hier de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2016: