Om te bepalen of iemand planschade lijdt (art. 6.1 Wro) dient de oude met de nieuwe planologische situatie te worden vergeleken. Daarbij moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden, tenzij realisatie daarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten. Het maken van een planologische vergelijking bij toepassing van die uitzondering blijkt in de praktijk niet eenvoudig. Niet alleen voor aanvragers van een tegemoetkoming in planschade, maar ook voor gemeenten die verzoeken hierover in behandeling nemen. Een recente uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:807) over de aanleg van een weg, laat zien dat het gebied tussen waarschijnlijkheid enerzijds en zekerheid anderzijds, soms grijzer is dan het in eerste instantie lijkt.

Uitzonderingen maximale invulling

In de praktijk doen zich verschillende situaties voor die een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen.

Dit kan zich voordoen vanwege juridische belemmeringen. Bijvoorbeeld op privaatrechtelijk vlak als er voor het oprichten van bebouwing toestemming nodig is van derden die niet zullen willen meewerken, of op publiekrechtelijk vlak als niet aan het Bouwbesluit zal worden voldaan (ABRvS 25 juni 2014, nr. 201305842/1/A2). Dat kan aan de weg staan aan de maximale invulling van de planologische mogelijkheden.

Een andere mogelijkheid is dat de maximale invulling op fysieke belemmeringen stuit. Een bekend voorbeeld uit de jurisprudentie is die waarin het tracé van de verlengde Coentunnelweg al was bebouwd, zodat die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet gerealiseerd zou worden (ABRvS 18 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9825). Er hoefde dus niet uit te worden gegaan van de mogelijkheid om het tracé aan te leggen.

Lastiger zijn de gevallen waarin geen sprake is van een juridische of fysieke belemmering, maar waarbij wordt beoordeeld in welke mate het onwaarschijnlijk is dat de realisering van de maximale invulling zich zal voordoen. Een typisch voorbeeld is de recente uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 die hier verder centraal staat.

Casus uitspraak Afdeling 18 maart 2015

De eigenaar van een perceel had het college van burgemeester en wethouders verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van het bestemmingsplan “Oosttangent Roermond noordelijke deel”. Dit maakt de aanleg de provinciale weg N293 nabij zijn perceel mogelijk. De schadecommissie die het college had ingeschakeld, concludeerde dat de planologische wijziging tot verslechtering leidt van met name het uitzicht en de woonomgeving. De schadecommissie taxeerde het planologisch nadeel op € 45.000,00. Het college nam het advies van de schadecommissie over.

De eigenaar van het perceel was het hier niet mee eens. Hij zou ook schade lijden als gevolg van verslechtering van de akoestische situatie en de luchtkwaliteit. Bij de maximale invulling van het nieuwe bestemmingsplan was de schadecommissie volgens de eigenaar van het perceel ten onrechte uitgegaan van een maximum snelheid van 50 km per uur. Volgens hem werd de maximum snelheid namelijk niet planologisch begrensd. Daarom diende volgens de eigenaar van het perceel uit te worden gegaan van een maximumsnelheid die zou passen bij het type weg dat het bestemmingsplan mogelijk maakte. Zijn stelling was dat het college van een maximum snelheid van 100 km per uur had moeten uitgaan.

Tussenuitspraak

In de tussenuitspraak van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1292), die aan de uitspraak van 18 maart 2015 vooraf was gegaan, had de Afdeling verwezen naar vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2010, in zaak nr. 200907020/1/H2). Op grond daarvan dient, als het gaat om het planologisch mogelijk maken van de aanleg van een weg, bij de gestelde geluidsoverlast van het verkeer een vergelijking te worden gemaakt tussen de maximale geluidsbelasting onder het oude en het nieuwe planologische regime. Uitgangspunt daarbij is een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsbelasting. Op dezelfde wijze dient te worden onderzocht of de gestelde verslechtering van de luchtkwaliteit zich voordoet.

Volgens de Afdeling was het college er ten onrechte vanuit gegaan dat de maximum snelheid op de weg planologisch was begrensd tot 50 km per uur. Het college had naar het oordeel van de Afdeling bij de planvergelijking moeten beoordelen welk type weg het bestemmingsplan mogelijk maakt en voor welk snelheidsregime die weg geschikt is, zoals de eigenaar van het perceel betoogd had.

Einduitspraak

Het college heeft na de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de weg een gebiedsontsluitingsweg is waarop in beginsel een maximale snelheid van 80 km per uur mogelijk is. Maar volgens het college is deze maximum snelheid niet mogelijk, omdat binnen relatief korte afstand sprake is van drie krappe bochten waar als veilige snelheid een maximumsnelheid van 60 km per uur dient te gelden en is het niet wenselijk om op korte afstand verschillende maximumsnelheden toe te passen. Hierin volgt het college het advies van de schadecommissie die zich baseert op een onderzoeksmemo van een verkeersdeskundige.

De Afdeling gaat hier niet in mee. In de uitspraak van 18 maart 2015 overweegt de Afdeling dat uit het onderzoeksmemo niet volgt dat een maximumsnelheid van 80 km per uur met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Ook al is een wisselend snelheidsregime volgens het onderzoeksmemo onwenselijk, wijst de Afdeling erop dat voor het deel ter hoogte van het perceel van de eigenaar niet is vermeld dat een maximumsnelheid van 80 km per uur verkeersonveilig is. Dat het college een snelheidsregime van 80 km per uur niet aannemelijk acht, betekent volgens de Afdeling niet dat de realisering van die planologische mogelijkheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

Strikte toets Afdeling

Deze uitspraak van de Afdeling past in haar eerdere jurisprudentie over de maximale invulling van de planologische mogelijkheden bij het maken van de planvergelijking. Zelfs als aannemelijk is dat een maximale invulling niet wordt gerealiseerd, rechtvaardigt dat nog geen uitsluiting daarvan. Ook niet als daar een onderzoek aan ten grondslag ligt. Er dient eigenlijk min of meer vast te staan dat de maximale invulling niet zal plaatsvinden, specifiek ten aanzien van de locatie waar de planschadeaanvraag betrekking op heeft.  De Afdeling past dus een strikte toets toe. Gemeenten en aanvragers doen er daarom goed aan om, als ze een beroep doen op deze uitzondering, kritisch na te gaan of – en zo ja, met welke motivering – dat haalbaar is.