Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad motiveren dat het plan binnen de planperiode financieel uitvoerbaar is. De laatste jaren leek de Afdeling aan die motivering niet al te hoge eisen te stellen. Maar soms toetst zij ineens indringender, zoals recent bij het bestemmingsplan Viscentrum Breskens. Hoe is dit te verklaren en welke lijn houdt de Afdeling aan?

Vertrouwde kaders

Artikel 3.1.6 lid 1 Bro bepaalt: “Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: (…) f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan”. De rechter toetst dit onderdeel van de plantoelichting terughoudend. De standaardoverweging van de Afdeling luidt:

“In het kader van een beroep tegen het bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van een plan slechts leiden tot vernietiging van een besluit indien en voor zover de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.”

In de overgrote meerderheid van de uitspraken overweegt de Afdeling vervolgens dat niet op voorhand vast staat dat het plan niet financieel uitvoerbaar is. Zelfs in gevallen waarin volledig kostenverhaal niet is verzekerd, blijkt de enkele mededeling ter zitting, dat de gemeente bereid is een eventueel deficit of planschaderisico te financieren, doorgaans voldoende te zijn om een gegrond beroep af te weren. Kortom, een ruime marge voor gemeenteraden.

Een vreemde eend?

Op 17 februari jl. is het bestemmingsplan “Viscentrum Breskens” gesneuveld omdat de raad de financiële uitvoerbaarheid van dat plan onvoldoende inzichtelijk had gemaakt. De appellanten klaagden dat de financiering (ad. €4.3 mio) nog teveel onzekerheden bevatte, maar ter zitting voerde de raad het bekende, en meestal succesvolle verweer dat de gemeente de kosten zo nodig zelf zou dragen. De Afdeling overwoog echter:

“De ter zitting door de raad gedane mededeling dat de gemeente de overige kosten voor de verwezenlijking van het viscentrum zelf zal kunnen dragen is onvoldoende, nu die niet is onderbouwd en in het raadsvoorstel van 25 juni 2015 om in te stemmen met het Masterplan wat betreft het viscentrum is vermeld dat, indien zou blijken dat de overige ontwikkelingen in het havengebied geen doorgang kunnen vinden, ook het nieuwe viscentrum niet zal worden gerealiseerd maar dat de vismijn en het visserijmuseum op de huidige locatie behouden blijven.”

Kennelijk vond de Afdeling de ter zitting – namens de raad – gedane mededeling ongeloofwaardig in het licht van eerder raadsbesluitvorming.

Naar mijn mening is deze uitspraak, hoewel zij een zeldzaam voorbeeld geeft van het onvoldoende inzichtelijk maken van de financiële uitvoerbaarheid, niet per se een vreemde eend in de bijt. Daarbij mag wat mij betreft ook nog in aanmerking worden genomen dat het de Afdeling ter zitting was gebleken dat inmiddels een nieuw bestemmingsplan in procedure was gebracht voor het gehele havengebied van Breskens (inclusief het viscentrum) en de gemeente dus snel een herkansing zou krijgen om de financiële uitvoerbaarheid te onderbouwen.

En dus

Gemeenten krijgen van de Afdeling een ruime marge bij het inzichtelijk maken van de financieel-economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Een ad hoc motivering ter zitting brengt echter wel risico’s mee, zeker als deze niet in lijn is met de eerdere formele raadsbesluitvorming. Een stevige uitvoerbaarheidsparagraaf in het bestemmingsplan, onderbouwd met een duidelijke verantwoording van inkomsten, uitgaven en tekortdekking, die ook voor juristen begrijpelijk is, kan veel stress en ellende voorkomen.