In deze Energie Update onder meer:

Rechtspraak

Parket Hoge Raad 5 juli 2016, conclusie P-G Hoge Raad, zaak 16/01064, ECL:NL:PHR:2016:757

Advocaat-Generaal Hoge Raad concludeert tot gegrondverklaring cassatieberoep: niet tijdig aanmelden van een WKK-installatie binnen de driemaandstermijn voor de Energie-Investeringsaftrek (EIA-regeling) vanaf het moment van het aangaan van verplichtingen komt voor risico van de ondernemer. De onderhavige constructie van het ontvoegen van een dochteronderneming, met het oog de WKK-installatie daar onder te brengen en opnieuw te pogen een tijdige EIA-aanmelding te doen, is niet gelijk te stellen aan (een door de belastinginspecteur gesuggereerde) sale-and-lease-back constructie. De door belanghebbende voorgestane constructie ziet niet op het vereiste van een onafhankelijke derde.

Rechtbank Noord-Nederland 21 juli 2016, zaak LEE 15/4812, ECLI:NL:RBNNE:2016:347

Gasleiding moet dieper worden gelegd ten behoeve van een nieuwe wegverbinding ‘De Centrale As’.
Rechtbank is met eiser (eigenaar en exploitant van de onderhavige gasleiding) van oordeel dat met het intrekken van de ontheffing voor het hebben van een gasleiding geen verkeersbelang in de zin van de Wegenverordening provincie Fryslân wordt gediend, maar een natuurbelang. Dit natuurbelang is niet verbonden aan een doelmatig en veilig gebruik van de weg. Verweerder is derhalve niet bevoegd tot intrekking van de ontheffing op grond van de Wegenverordening.

CBb 25 juli 2016, zaak 15/290, ECLI:NL:CBB:2016:243

CBb bevestigt ACM-besluit: appellant heeft geen recht op een aansluiting regionaal gastransportnet nu de aan te sluiten gasinstallaties zich bevinden in een warmtegebied.
Zie ook onze EnergyBit van 30 augustus 2016.

CBb 26 juli 2016, zaak 16/78, ECLI:NL:CBB:2016:227

College bevestigt besluit ACM tot afwijzing aanvraag van de juridische eigenaar van een gastransportnet op een industriepark (hierna: appellante) om een ontheffing van het gebod tot aanwijzing van een netbeheerder. Niet voldaan aan de “a- en b-gronden” zoals opgenomen in art. 2a, eerste lid, van de Gaswet.

Ten overvloede overweegt het College dat het registreren van een melding van een directe lijn een volgens het College een op rechtsgevolg gericht besluit is in de zin van art. 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat daarmee de meldplicht van art. 39h van de Gaswet komt te vervallen. Brief van appellante waarin zij ACM meedeelt het niet eens te zijn met de manier waarop ACM heeft gereageerd op de melding van de directe lijn, moet dan ook worden aangemerkt als een bezwaarschrift, welke ACM alsnog in behandeling moet nemen. Beroep ongegrond.

CBb 26 juli 2016, zaak 15/828, ECLI:NL:CBB:2016:228

College bevestigt besluit ACM tot afwijzing aanvraag van de juridische eigenaar van een elektriciteitsnet op een industriepark (hierna: appellante) (zie tevens de hiervoor genoemde uitspraak) om een ontheffing van het gebod tot aanwijzing van een netbeheerder. Niet voldaan aan de “a- en b-gronden” zoals opgenomen in art. 15, eerste lid, van de E-wet. Beroep ongegrond.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, zaak 200.177.816/01, ECLI:NL:GHARL:2016:6308

Graafschade. Werknemer van een hoveniersbedrijf (hierna: geïntimeerde) heeft met een tractor (met een zogenaamde klepelmachine) gras gemaaid op een groenstrook. Daarbij heeft de werknemer een gasverdeelkast omver gereden. Netbeheerder heeft geïntimeerde aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. De Kantonrechter heeft de vorderingen van de netbeheerder afgewezen.

In hoger beroep vernietigt het Hof de uitspraak van de Kantonrechter. Sprake van onzorgvuldig handelen van de werknemer. Het kastje lag weliswaar lager dan het omliggende gras, maar had een grijze kleur. Het Hof acht het alleszins aannemelijk dat het kastje bij een zorgvuldige visuele inspectie van het te maaien terrein zou zijn opgemerkt.

Met betrekking tot de omvang van de schade faalt het betoog van geïntimeerde dat op de reparatiekosten een aftrek moet worden toegepast wegens nieuw voor oud. Netbeheerder heeft er op gewezen dat de gasverdeelkast en de bijbehorende leidingen in beginsel een onbeperkte levensduur hebben. Ze zijn niet aan slijtage onderhevig. Als ze worden vervangen, is dat niet vanwege slijtage, of het bereiken van de maximale technische levensduur, maar vanwege externe factoren, zoals wijzigingen in het gasnet.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, zaak 15/00961 en 15/00972, ECLI:NL:GHARL:2016:6268

Vaststelling waarde gasgestookte warmtekrachtcentrale (hierna: WKC) voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) en de daaraan ten grondslag liggende berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde (op grond van art. 17, lid 3, van de Wet WOZ).

Hof: sprake van ingrijpend gewijzigde marktomstandigheden en als gevolg daarvan ontstane vermindering van de productie van warmte en elektriciteit en een daarmee corresponderende vermindering van het aantal draaiuren. Het Hof acht aannemelijk dat - gelet op deze omstandigheden in combinatie met het achterblijvende energetisch rendement - sprake is van economische veroudering van de WKC.

Heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in voldoende mate rekening heeft gehouden met de economische veroudering van de WKC en dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.

Noch belanghebbende noch heffingsambtenaar hebben vervolgens de door hen bepleite waarden aannemelijk gemaakt. Het Hof bepaalt derhalve in goede justitie de gezochte waarde van de WKC. Hoger beroep belanghebbende gegrond.

ABRvS 24 augustus 2016, zaak 201505192/1/A2, ECLI:NL:RVS:2016:2324

ABRvS 24 augustus 2016, zaak 201505089/1/A2, ECLI:NL:RVS:2016:2325

Verzoek van appellant tot vergoeding van schade aan zijn woning (dat is gelegen in het gebied van de voormalige concessie van de Domaniale Mijnmaatschappij) uit het Waarborgfonds mijnbouwschade (hierna: waarborgfonds) door de Minister van EZ op onjuiste gronden afgewezen. Rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zijn in stand gelaten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat een beroep op het waarborgfonds alleen kan worden gedaan indien sprake is van aansprakelijkheid uit artikel 6:177 van het BW, zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003. Op grond van het overgangsrecht is de regeling voor risicoaansprakelijkheid voor schade ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de exploitatie van een mijnbouwwerk niet van toepassing indien de schade bekend is geworden vóór de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003. Omdat vaststaat dat appellant reeds omstreeks 1970 bekend is geworden met de schade, dus ruimschoots vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling van artikel 6:177 van het BW, is deze bepaling in dit geval niet van toepassing. Geen sprake van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:177 van het BW, derhalve geen beroep op het waarborgfonds.

Autoriteit Consument & Markt (ACM)

Besluiten

Geschilbeslechting. Voor het bepalen van het dichtstbijzijnde punt voor aansluitingen groter dan 10 MVA dient niet alleen, zoals aanvrager tot geschilbeslechting stelt, rekening te worden gehouden met de vraag of er op dat punt feitelijk voldoende netcapaciteit beschikbaar is. Vanwege de onmiddellijke gevolgen van aansluitingen groter dan 10 MVA dient voor het bepalen van het dichtstbijzijnde punt tevens rekening te worden gehouden met de integriteit en het functioneren (en dus de betrouwbaarheid en veiligheid) van het desbetreffende net.

Om voldoende rekening te houden met deze onmiddellijke gevolgen dient de netbeheerder naar het oordeel van ACM aansluitingen groter dan 10 MVA, net als aansluitingen tot en met 10 MVA, te realiseren op een punt dat daartoe technisch gezien redelijkerwijs geschikt is. Klacht ongegrond.

Zaak ACM 16.0181.12, 6 juli 2016

Geschil over het vaststellen van de mate van verbruik, ten behoeve van de tariefdrager voor systeemdiensten. Aanvrager tot geschilbeslechting (een exploitant van een biomassacentrale, waarvan de opgewekte energie voor het merendeel wordt terug geleverd aan het openbare net) stelt zich op het standpunt dat de netbeheerder in strijd heeft gehandeld met art. 30, tweede lid, E-wet (oud), nu zij onterecht systeemdienstentarief in rekening heeft gebracht over het toelaatbaar bedrijfsverbruik (Etbv). Dat het toelaatbaar bedrijfsverbruik in de betreffende periode niet gemeten is volgens aanvrager te wijten aan de netbeheerder. Door de Etbv niet vast te stellen zou netbeheerder in strijd handelen met de codes.
ACM: voor de vraag wie er comptabel had moeten meten, biedt artikel 4.4.3 Tarievencode (oud) uitkomst. In dit artikel staat dat, in geval de aansluiting een elektriciteitsproductiemiddel betreft, de voor eigen verbruik opgewekte energie gemeten wordt met toepassing van de daaromtrent in de Meetcode vastgestelde regels. Niet in geschil is dat aanvrager beschikt over een elektriciteitsproductiemiddel. Uit de Meetcode volgt dat een grootverbruiker hiervoor zelf de meetverantwoordelijkheid draagt, of deze over kan dragen aan een erkende meetverantwoordelijke. De verantwoordelijkheid voor het comptabel meten van het toelaatbaar bedrijfsverbruik lag dan ook bij aanvrager zelf. Dat aanvrager de meetverantwoordelijkheid aan een andere partij heeft uitbesteed, doet niet aan af aan het oordeel dat de netbeheerder niet in strijd met de codes heeft gehandeld door het toelaatbaar bedrijfsverbruik niet te meten.

Zaak ACM 16.0208.12 (ongedateerd)

Besluit ACM betreffende afwijzing aanvraag tot ontheffing van de tariefstructuren en voorwaarden (TarievenCode Elektriciteit).

Zaak ACM 15.0994.53, 4 juli 2016

Ontwerpbesluit ACM op aanvraag van OSKnet B.V. voor een ontheffing van de verplichting tot het aanwijzen van een netbeheerder (op grond van art. 15, eerste lid, van de E-wet) voor een gesloten distributiesysteem (GDS) op een nog aan te leggen net (hierna: toekomstig net).

De E-wet geeft ACM niet de bevoegdheid om een ontheffing te verlenen voor een toekomstig net. ACM onderkent echter dat in de praktijk behoefte is aan de verlening van ontheffingen voor toekomstige netten. Ontheffing wordt verleend met een opschortende voorwaarde.

Deze ontheffing vervalt na tien jaar vanaf het moment van bekendmaking van het besluit tot verlening van de ontheffing. De termijn gaat dus lopen vanaf het moment van bekendmaking van het besluit en niet vanaf het moment van voldoen aan de opschortende voorwaarde.

Zaak ACM 15.1270.30 (ongedateerd)

Staatscourant 11 juli 2016, nr. 36034

Overige publicaties

Aangepaste versies Energiecodes

Informatiecode elektriciteit en gas(geldend per 27 juli 2016)

ACM publiceert ‘Handleiding aanvraag beoordeling berekeningsmethodiek netwerktarieven Experimentenregeling’

Publicatie ACM

Handleiding in Word-versie

Wet- en regelgeving

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 juli 2016, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2016 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016)

Staatscourant 20 juli 2016, nr. 37730

Wijzigingswet Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (in verband met de mogelijkheid voor verhuurder en huurder een energieprestatievergoeding overeen te komen), evenals het Besluit en de Ministeriële Regeling treden in werking per 1 september 2016

Staatsblad 2016, 199 (Wijzigingswet Boek 7 BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte van 18 mei 2016)

Staatsblad 2016, 302 (Besluit houdende tijdstip van inwerkingtreding Wijzigingswet Boek 7 BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)

Staatsblad 2016, 303 (Besluit energieprestatievergoeding huur)

Staatscourant 31 augustus 2016, nr. 45732 (Regeling energieprestatievergoeding huur)

Internetconsultaties

Ontwerp Wijziging Wet milieubeheer t.b.v. ILUC-richtlijn en reductieverplichting richtlijn brandstofkwaliteit. Zie ook onze EnergyBit van 22 augustus 2016.

Internetconsultatiepagina

Selectie officiële publicaties

Structuurvisie Windenergie op Zee (SV WoZ); brief Minister van IenM ter aanbieding van de aanvulling op de planMER en de herziening van de passende beoordeling bij de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee Aanvulling gebied Hollandse Kust, tevens partiële herziening Nationaal Waterplan 2016-2021, 18 augustus 2016

Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr. 32

Bijlage: Rapport planMER – Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee aanvulling Hollandse Kust, 15 augustus 2016

Bijlage: Rapport Passende Beoordeling (herziening) – Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee aanvulling Hollandse Kust, 15 augustus 2016

Kennisgeving Ministerie van EZ inzake terinzagelegging ontwerp kavelbesluiten Kavels I en II in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)

Staatscourant 18 augustus 2016, nr. 43343

Kennisgeving Ministerie van IenM inzake ontwerp Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee – Aanvulling gebied Hollandse Kust gepubliceerd
(reactieperiode is van 19 augustus 2016 tot en met donderdag 29 september 2016)

Staatscourant 18 augustus 2016, nr. 43533

Europese ontwikkelingen

Hof van Justitie EU

Advocaat-Generaal concludeert dat het Verenigd Koninkrijk, door richtlijn 2001/80/EG (beperking emissies verontreinigende stoffen door grote stookinstallaties) niet juist toe te passen op de elektriciteitscentrale van Aberthaw in Wales, de krachtens artikel 4, lid 3, van die richtlijn juncto deel A van bijlage VI daarbij op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Zaak C-304/15, Commissie / Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, [28 juni 2016] Conclusie A-G M. Bobek

EU Publicatieblad

Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie. Zie ook onze EnergyBit van 15 augustus 2016.

PbEU 19 juli 2016 L 194/01

Verordening (EU) 2016/1388 van de Commissie van 17 augustus 2016 tot vaststelling van een netcode voor aansluiting van verbruikers.

PbEU 18 augustus 2016 L 223/10