Indien niet tijdig wordt beslist op een aanvraag voor een omgevingsvergunning die met de reguliere procedure wordt voorbereid, dan wordt die omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2015 volgt dat een omgevingsvergunning niet van rechtswege wordt verleend, indien niet tijdig opnieuw een besluit op de aanvraag is genomen na rechterlijk vernietiging van een eerder op die aanvraag verleende omgevingsvergunning.

Procedureel verloop

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren heeft op 17 januari 2013 een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder a en onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) verleend voor het legaliseren van meerdere bijgebouwen bij een woning, bestaande uit een berging, loods en garage. De omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik is verleend op grond van artikel 2.12 lid 1 aanhef en onder a nummer 2 Wabo jo artikel 2.7 en artikel 4 lid 1 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. Deze zogenoemde A2-vergunning wordt net als de omgevingsvergunning voor bouwen voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure in de Wabo. Twee omwonenden maken bezwaar tegen de omgevingsvergunning en op hun verzoek stemt het College in met rechtstreeks beroep bij de rechtbank (artikel 7:1a lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hierdoor ontbreekt een beslissing op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instellen bij de Afdeling. Bij uitspraak van 24 september 2014 verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit en bepaalt op grond van artikel 8:113 lid 2 Awb (de zogenoemde judiciële lus) dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Het College dient zodoende een nieuw besluit te nemen.

Bij brief van 24 november 2014 deelt het College aan de aanvrager mee dat hem van rechtswege een vergunning is verleend, omdat het College niet tijdig na de Afdelingsuitspraak van 24 september 2014 heeft besloten op de aanvraag. De omwonenden stellen tegen hiertegen – gevolg gevend aan de Afdelingsuitspraak van 24 september 2014 – rechtstreeks beroep in bij de Afdeling. Appellant betoogt dat niet van rechtswege een vergunning is verleend.

Standpunt College: de omgevingsvergunning is van rechtswege verleend

Het College voert als verweer dat het ervan uit is gegaan dat op grond van artikel 4:20b lid 1 Awb van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend (ook wel een fictieve omgevingsvergunning genoemd). Het College komt tot deze conclusie omdat na de vernietiging van het besluit door de Afdeling bij uitspraak van 24 september 2014 niet binnen de in artikel 3.9 lid 1 Wabo genoemde termijn van acht weken een besluit op de aanvraag is genomen en ook de termijn voor het nemen van de beslissing niet is verlengd. Dit is volgens het college relevant omdat een gevraagde beschikking op grond van artikel 4:20b lid 1 Awb van rechtswege is verleend indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Artikel 4:20b lid 1 Awb is op grond van artikel 3.9 lid 3 Wabo van toepassing op een besluit dat wordt voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure.

Oordeel Afdeling: de omgevingsvergunning is niet van rechtswege verleend

De Afdeling stelt voorop dat het College er terecht vanuit is gegaan dat de termijn die geldt voor het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag na vernietiging, gelijk is aan de termijn die geldt in de primaire besluitvorming. Aangezien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, geldt vanaf de dag van verzending van de uitspraak zodoende een termijn van acht weken voor het College om een besluit te nemen. Vaststaat dat het College ook ten tijde van het doen van de uitspraak op 21 oktober 2015 nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen.

Anders dan het College oordeelt de Afdeling echter dat na de vernietiging van het besluit niet van rechtswege een vergunning is verleend na verstrijken van de beslistermijn. Steun voor dit standpunt vindt de Afdeling in de memorie van toelichting bij paragraaf 4.1.3.3 van de Awb “Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen”. Daaruit volgt dat het niet nakomen van de verplichting een nieuw besluit te nemen nadat de bestuursrechter een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, niet overeenkomstig paragraaf 4.1.3.3 van de Awb – waar artikel 4:20b lid 1 onderdeel van is – leidt tot een van rechtswege verleend besluit (Kamerstukken II 2007/08, 31 579, nr. 3, p. 51-52). In de memorie van toelichting wordt in dit kader verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS7234). In deze uitspraak is er vanuit gegaan dat het niet nakomen van de verplichting van het college van gedeputeerde staten om tijdig een nieuw goedkeuringsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 28 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijk Ordening (WRO), na de vernietiging van een eerder besluit door de Afdeling, niet leidt tot een goedkeuring van rechtswege overeenkomstig artikel 10:31 lid 4 Awb (oud) na het verlopen van de termijn.

Door de verwijzing naar deze uitspraak zou de wetgever volgens de Afdeling nadrukkelijk hebben beoogd te bewerkstelligen dat het in de Afdelingsjurisprudentie gehanteerde uitgangspunt met betrekking tot goedkeuringsbeslissingen, ook geldt wanneer de vraag aan de orde is of op grond van artikel 4:20b lid 1 Awb van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Volgens de Afdeling kan de wetgever niet worden geacht een fictieve omgevingsvergunning te hebben willen doen ontstaan, enkel omdat het college heeft verzuimd een nieuw besluit te nemen binnen de wettelijke termijn. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb is dan ook geen sprake en beroep stond niet open.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 21 oktober 2015 Zaaknummer: 201410473/1/A4 ECLI:NL:RVS:2015:3255