De gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen stelt voorwaarden vast voor de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor verstrekkingen van klinische biologie1. Kachtens die wet kan de Koning die verstrekkingen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat ze worden uitgevoerd in erkende laboratoria.

Naast de erkenning van laboratoria door de Minister van Volksgezondheid via het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid bestond er ook een ander type “erkenning”, nl. door de Minister van Sociale Zaken via het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV).

De erkenning door het RIZIV wordt nu opgeheven door artikel 24 van de wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid van 22 juni 2016.

De memorie van toelichting2 verduidelijkt dat de erkenning door de Minister van Sociale Zaken werd ingesteld in het kader van de maatregelen met het oog op het bestrijden van overconsumptie in de klinische biologie. Eén van de bestrijdingsmaatregelen bestond erin een mechanisme in te stellen van ristorno’s, gebaseerd op het zakencijfer van elk laboratorium. Dit mechanisme is niet meer van toepassing sinds meerdere jaren en wordt daarom geschrapt in de Koninklijke en Ministeriële besluiten die de formaliteiten met betrekking tot de erkenning door het RIZIV vereisen. Dit is in de lijn van het advies van de Raad van State van 9 september 20153 dat eveneens voorstelde deze erkenning op te heffen ter verbetering van de juridische zekerheid.