Door de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) heeft er een groot aantal wijzigingen plaatsgevonden in het Nederlandse ontslagrecht. De inhoudelijke regelgeving omtrent het ontslag op staande voet is echter hetzelfde gebleven. Zo dient er nog steeds sprake te zijn van een dringende reden en ook zijn de processuele aspecten van het ontslag op staande voet niet gewijzigd.

De route die moet worden gevolgd na een gegeven ontslag op staande voet is zowel voor werkgever als voor werknemer wel veranderd. Op basis van de nieuwe wetgeving moet een werknemer binnen twee maanden na het gegeven ontslag op staande voet een verzoek indienen tot vernietiging van de opzegging, of het toekennen van een billijke vergoeding. Dit verzoek moet op grond van artikel 7:681 lid 1 BW en artikel 7:686a lid 4 sub a onder 2 BW bij de kantonrechter worden ingediend. Als een werknemer zijn verzoek niet op tijd indient, kan het ontslag op staande voet niet meer worden aangetast. In dat geval zal slechts eventueel nog een beroep kunnen worden gedaan op de transitievergoeding zoals volgt uit artikel 7:673 BW, waarvoor een termijn van drie maanden geldt.

(Tijdig) verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet

Nu de termijn van twee maanden zoals in het voorgaande genoemd zo kort is, is het interessant om te bezien wat kantonrechters doen met een eventueel te laat of onjuist ingediend verzoek. De kantonrechter Leeuwarden ging hier in de uitspraak van 16 december 2015 soepel mee om (ECLI:NL:RBNNE:2015:5977). In deze kwestie had de werknemer niet een verzoek tot vernietiging ingediend, maar slechts schriftelijk verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek dat de werkgever had ingediend. De kantonrechter oordeelde dat dit verweer ‘’uit praktische overwegingen’’ moest worden aangemerkt als een tegenverzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet. Een opmerkelijke uitspraak, nu artikel 7:681 lid 1 BW duidelijk bepaalt dat er een verzoek tot vernietiging van de opzegging (of toekenning van een billijke vergoeding) moet worden ingediend.

Op 17 december 2015 deed de kantonrechter Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2015:9413) een uitspraak in een ontslag op staande voet zaak waarin de werknemer niet tijdig een verzoek tot vernietiging van de opzegging had ingediend. De werknemer had wel binnen de vervaltermijn van twee maanden een kort geding gestart waarbij als voorlopige voorziening een voorschot op het salaris en wedertewerkstelling was gevorderd, waarvan de behandeling plaatsvond na afloop van de vervaltermijn van twee maanden. Na het verstrijken van deze termijn verzocht werknemer de rechter van spoor te wisselen (op grond van artikel 69 Rv) en de kortgeding dagvaarding aan te merken als een tijdig ingediend verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter Amsterdam oordeelde dat dit niet toewijsbaar was omdat in de kort geding dagvaarding geen vernietiging van het ontslag was gevorderd en bovendien waren de voorlopige voorzieningen niet verkeerd ingeleid met een dagvaarding. Hier had de werknemer, mijns inziens terecht, dus geen succes.

Vergoedingen naar aanleiding van een (onterecht) ontslag op staande voet

Op basis van de nieuwe regelgeving van de WWZ, ontstaat de vraag of bij een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, naast een billijke vergoeding ook eenvergoeding wegens onregelmatige opzegging kan worden gevorderd. De kantonrechter Maastricht oordeelde op 16 december 2015) dat dit kan (ECLI:NL:RBLIM:2015:10716. Ook de kantonrechter Arnhem oordeelde hetzelfde op 16 oktober 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6783) en gaf aan dat een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzeggingelkaar niet uitsluiten. De kantonrechter Arnhem oordeelde echter anders op 11 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:7439 ) en gaf aan dat het bij toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (op grond van artikel 7:672 lid 9 BW) niet billijk is om ook nog een billijke vergoeding op basis van artikel 7:681 lid 1 BW toe te kennen. In deze zaak ging het echter om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarbij aan werknemer een vergoeding werd toegekend bestaande uit het salaris over de resterende periode van het dienstverband. De werknemer vorderde daarnaast een billijke vergoeding, opmerkelijk genoeg eveneens bestaande uit het salaris over de resterende periode van het dienstverband.

Conclusie is dat over het toekennen van een billijke vergoeding in geval van een niet rechtsgeldige gegeven ontslag op staande voet, de rechtspraak redelijk eenduidig is. Volgens de parlementaire geschiedenis moet voor het toekennen van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Uit de parlementaire geschiedenis volgt bovendien dat de gegeven ontslag op de staande voet waarbij de geldende voorschriften niet zijn nageleefd en de opzegging dus in strijd is met artikel 7:681 lid 1, direct ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever oplevert. De rechtspraak laat zien dat deze lijn wordt gevolgd.