Op 19 maart 2015 hebben de gezamenlijke BRZO+ partners het jaarplan 2015 vastgesteld. Dit eerste jaarplan van BRZO+ is in april openbaar gemaakt. In het jaarplan wordt beschreven hoe de partners van BRZO+ (de omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s, Inspectie SZW, waterkwaliteitsbeheerders, ILT en het OM) uitvoering geven aan uniforme en integrale aanpak van vergunningverlening, handhaving en toezicht bij BRZO-bedrijven en bedrijven die behoren tot IPPC-categorie 4. Dit ziet totaal op ca. 460 bedrijven in Nederland. Een deel van deze bedrijven vallen overigens nog formeel onder het gezag van de gemeente in plaats van de provincie. Zoals eerder op dit blog bericht is het de bedoeling van de wetgever om alle BRZO-bedrijven bij de provincies onder te brengen.

In dit bericht wordt een korte toelichting op het jaarplan gegeven. Daarnaast wordt uitdrukkelijk ingegaan op de verdergaande samenwerking met de strafrechtelijke handhaver, en de gevolgen die dit kan hebben.

Inhoud jaarplan

Een korte beschrijving van het jaarplan 2015:

  • Het jaarplan begint in hoofdstuk 2 met de scope, de ambitie en de werkwijze van BRZO+. Dit is gericht op professionalisering en samenwerking tussen de partijen.
  • De gezamenlijke uitvoering van de wettelijke taken is beschreven in hoofdstuk 3, waarin een tabel is opgenomen met geplande aangekondigde en niet-aangekondigde inspecties per BRZO-regio. Ook zal eind 2015 een bedrijfsbrandweer traject zijn afgerond waaruit bedrijfsbrandweeraanwijzingen kunnen volgen.
  • Hoofdstuk 4 ziet op projecten die worden uitgevoerd voor de versterking van de BRZO+ samenwerking, en de implementatie van het nieuwe BRZO 2015. In het jaarplan worden activiteiten voor informatievoorziening aan inspecteurs en bedrijven over de consequenties van het BRZO 2015 voorzien, en een aanpassing van de huidige instrumenten zoals de Landelijke Handhavingstrategie BRZO 1999. In aanvulling op het jaarplan wijs ik erop dat het BRZO 2015 voorziet in de implementatie van de Seveso III-richtlijn. De implementatietermijn eindigt op 1 juni 2015. De nieuwe regelgeving ligt thans nog voor ter advisering bij de Raad van State.
  • De werkzaamheden van het platform BRZO+ die eerder in gang zijn gezet en doorlopen in 2015 zijn beschreven in hoofdstuk 5. Dit ziet bijvoorbeeld op de landelijke afstemming van de uitvoering van de PGS 29-eisen inzake bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in tanks.
  • Hoofdstuk 6 ziet op de bijdrage van het OM (Functioneel Parket) aan de BRZO+ samenwerking. Dit ziet op bestaande samenwerking in de vorm van de Strategische Milieukamer, maar ook het streven naar een door de omgevingsdiensten en politie gezamenlijk op te stellen analyse en het vormen van een gezamenlijke BOA pool waarin inspecteurs worden opgenomen die tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Ook wordt ingegaan op de mogelijke interventies van het Functioneel Parket, zoals de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met dit hoofdstuk wordt de nadrukkelijke aanwezigheid van het strafrecht nog meer uitgebreid. Ik ga op dit onderwerp hierna nog nader in.
  • De begroting in de bijlage bij hoofdstuk 7 is niet openbaar. Wel is opgenomen dat het Bureau BRZO+ wordt bekostigd door het ministerie van I&M. Een recente ontwikkeling, niet opgenomen in het jaarplan, is dat er een wetsvoorstel wordt voorbereid voor het doorberekenen van toezichtskosten aan BRZO-bedrijven. Tot 17 mei 2015 kan een reactie worden gegeven op de consultatieversie

Samenwerking met het OM: steeds meer invloed strafrecht

Zoals hiervoor toegelicht bevat het jaarplan 2015 een hoofdstuk over de samenwerking met het OM. Afstemming tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke toezichthouders is niet nieuw. Zo is er eenlandelijk handhavingsbeleid (niet alleen voor BRZO-bedrijven) waarin onder meer een interventiematrix is opgenomen om te bepalen bij welke situatie welke handhavingsinstrumenten kunnen worden toegepast. Strafrechtelijk aanpakken heeft daarbinnen een belangrijke rol.

Interventie door het OM kan verstrekkende gevolgen hebben voor een bedrijf en/of de betrokken aansprakelijke individuen. Ten eerste vanwege reputatieschade, wat al kan spelen als er alleen nog een verdenking is, en geen bewezenverklaring. Ten tweede kan gebruik worden gemaakt van strafrechtelijke dwangmiddelen, zo kan informatie (e-mails en documenten) in beslag worden genomen en kunnen verdachten worden aangehouden voor verhoor. Ten derde kunnen de mogelijke straffen als het wel tot een bewezenverklaring komt zeer hoog zijn. Boetes kunnen tot 10% van de jaaromzet van het bedrijf bedragen per feit, en feitelijk leidinggevenden kunnen bijvoorbeeld een werkstraf of gevangenisstraf opgelegd krijgen. Maar er kunnen ook bijkomende maatregelen worden opgelegd, zoals stillegging van het bedrijf. Ik verwijs naar mijn eerdere bijdrage ‘De consequenties van non-compliance‘ voor een nadere uiteenzetting van de mogelijkheden van het OM, hoe dat samenloopt met het bestuursrechtelijk toezicht, en hoe daarmee om te gaan.

In het jaarplan 2015 wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de bijkomende straffen en maatregelen, naast bijvoorbeeld een geldboete. Er wordt onder meer gewezen op:

  • Publicatie van vonnissen dan wel een bericht in branche/vakbladen (waarbij in het jaarplan 2015 imagoschade uitdrukkelijk wordt benoemd);
  • De ontzetting van ondernemersrechten/de ontzetting van voordelen, bijvoorbeeld dat een bepaalde tijd geen gebruik mag worden gemaakt van een vergunning;
  • Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit ziet op voordeel behaald door de strafbare feiten of de besparing van kosten door de strafbare feiten.

Volgens het jaarplan heeft het Functioneel Parket zichzelf als doel gesteld meer gebruik te gaan maken van dergelijke interventies. Zo wordt ook een accountant toegevoegd aan het ‘themateam’ om te borgen dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of het afpakken daarvan op andere wijze, meer nadrukkelijk aan de orde komt.

De consequenties van (vermeende) overtredingen worden hiermee wederom zwaarwegender.