De gemeenteraad beslist doorgaans op voorstel van het college over een bestemmingsplan. Zo'n voorstel wordt nogal eens voorafgegaan door een (exploitatie)overeenkomst die de gemeente met een initiatiefnemer voor een bouwplan heeft gesloten. Wat nu als de raad het er helemaal niet mee eens is dat dat bouwplan wordt gerealiseerd?

De raad is de baas

De hoofdregel is dat de raad zelfstandig mag bepalen hoe een bestemmingsplan eruit komt te zien. Hij is op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening immers het bevoegde bestuursorgaan en is daarom bijvoorbeeld niet gebonden aan een overeenkomst tussen een gemeente en een initiatiefnemer - waarover door het college is besloten - over (onder meer) het toekomstige planologisch regime van gronden. Het feit dat met zijn gemeente een overeenkomst is gesloten, is slechts een omstandigheid die de raad in zijn overwegingen dient te betrekken. Dat lijkt overigens ook zo te zijn als afspraken aan de raad zelf kunnen worden toegerekend, bijvoorbeeld door een daaraan voorafgaande motie, waaruit blijkt dat de raad het met de afspraken eens is, of goedkeuring achteraf (ABRvS 14 november 2012, BR 2013/22 m.nt. C.N.J. Kortmann en J.C. van Oosten). Voor de goede orde: kiest de raad er daadwerkelijk voor om af te wijken van de overeenkomst, dan kan de contractspartij van de gemeente wel met kans op succes bij de burgerlijke rechter schadevergoeding vorderen wegens wanprestatie (HR 8 juli 2011, AB 2011/298, m.nt. F.J. van Ommeren en G.A. van der Veen (Etam/Zoetermeer)).

Goed motiveren of terugsturen als wordt afgeweken van collegevoorstel

Dat het bestaan van een overeenkomst daadwerkelijk is meegewogen, moet wel duidelijk worden gemaakt. Dat was volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet gebeurd toen de raad van Overbetuwe weigerde een bestemmingsplan vast te stellen dat moest voorzien in woningbouw waarover al een exploitatieovereenkomst was gesloten. De raad had ten onrechte volstaan met het via diverse raadsfracties – zonder onderbouwing - benoemen van verschillende bezwaren tegen het plan, welke betrekking hadden op onderscheidenlijk ruimtelijk beleid, waterhuishouding, uitvoering en de positie van omwonenden. Dit terwijl bijvoorbeeld voor wat betreft de waterhuishouding het waterschap (onder voorwaarden) had ingestemd met het ontwerp hiervoor (ABRvS 29 april 2015, AB 2015/384 m.nt. P.J. Huisman, r.o. 7).

Ook in een andere zaak ging het fout toen de gemeenteraad van het destijds nog zelfstandige Schermer, het niet zonder meer eens was met het collegevoorstel voor de inrichting van het dorpsplein van Stompetoren. De raad stelde weliswaar het voorgestelde bestemmingsplan vast, maar nam gelijktijdig een motie aan waarin het college wordt verzocht onderzoek te doen naar een alternatieve inrichting. Volgens de Afdeling is dat de omgekeerde wereld, omdat de raad nu niet de voor- en nadelen van het alternatief in de afweging voor het feitelijk vastgestelde plan heeft meegenomen (ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3944, r.o. 5.2.).

Uit deze uitspraken volgt dat als de raad geheel of gedeeltelijk (via een amendement of motie) wil afwijken van het voorstel van het college voor een bestemmingsplan, bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de wijze waarop en motivering waarmee dat uiteindelijk wordt gedaan. Om te voorkomen dat de Afdeling het vaststellingsbesluit niet door de beugel vindt kunnen, moet onder omstandigheden overwogen worden het voorstel eerst voor advies terug naar het college te sturen of een eigen (door de griffie voorbereide) schriftelijke motivering aan het besluit (mede) ten grondslag te leggen. Mogelijk moeten raden in het algemeen ook eerder om hun mening worden gevraagd, voordat een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.