Vorige maand heeft het Hof van Justitie van de EU (HJEU) een interessante praktische prejudiciële vraag beantwoord over de aansprakelijkheid van voormalige erkende garagehouders voor advertenties waarin hun naam nog steeds wordt vermeld samen met het merk, ondanks nadrukkelijke verzoeken van die garagehouders om die adverties van het internet te verwijderen.

De concrete zaak die leidde tot de prejudiciële vraag betrof het merk Mercedes-Benz en de garage Együd Garage. Van 2007 tot en met 2012 had Együd een overeenkomst met Mercedes-Benz op basis waarvan Együd Garage het merk Mercedes-Benz mocht gebruiken en zich een erkend Mercedes-Benz garagehouder mocht noemen. 

In die periode gaf Együd Garage aan een onderneming die internetreclamediensten aanbiedt (“MTT”) de opdracht om een advertentie te publiceren waarin Együd Garage werd vermeld als een erkend Mercedes-Benz-garagehouder. Na die periode probeerde Együd Garage elk gebruik van het merk Mercedes-Benz te beëindigen. In het bijzonder vroeg Együd Garage met klem aan MTT de advertentie zo te wijzigen dat zij er niet langer in werd gepresenteerd als een erkend Mercedes-Benz-garagehouder.

Ondanks die maatregelen ging het verspreiden van internetadvertenties waarin Együd Garage als een erkend Mercedes-Benz-garagehouder werd gepresenteerd gewoon door. Bovendien verscheen bij het intikken van de zoektermen "együd” en "garage” in Google een resultatenlijst die dergelijke advertenties liet zien, waarvan de eerste tekstregel, die als een link fungeert, Együd Garage als een "erkend Mercedes-Benz-garagehouder” vermeldde.

Mercedes-Benz stapte bijgevolg naar de rechter om te laten vaststellen dat Együd Garage met die advertenties inbreuk had gemaakt op het merk Mercedes-Benz, en om haar te gelasten de betrokken advertenties te laten verwijderen, zich van verdere inbreuken te onthouden en een rechtzetting te publiceren in nationale en regionale bladen. Együd Garage voerde aan dat die laatste advertenties verschenen en bleven opduiken buiten haar wil, zonder dat zij enigerlei invloed kan uitoefenen op de inhoud, de publicatie of de verwijdering ervan. Daarop stelde de rechter een prejudiciële vraag aan het HJEU.

Het HJEU oordeelde nu dat het publiceren op een website van een reclameadvertentie waarin een merk wordt genoemd, een gebruik van dat merk door de adverteerder vormt, wanneer de adverteerder opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van die advertentie. Wanneer de adverteerder evenwel opdracht heeft gegeven om die advertentie te verwijderen, maakt hij geen gebruik meer van het merk en is hij dus niet aansprakelijk indien de advertentie met het merk toch niet verwijderd wordt.