​​De Lidstaten van de Europese Unie hebben een politiek akkoord bereikt over de invulling van een Richtlijn die een pakket maatregelen omvat tegen belastingontwijking. De eerste concept versie van deze Richtlijn werd in januari van dit jaar gepubliceerd en de Lidstaten hebben – onder Nederlands voorzitterschap – een aantal maanden onderhandeld om tenslotte op 17 juni overeenstemming te hebben bereikt over de uiteindelijke reikwijdte van de Richtlijn. Deze ontwerp Richtlijn is, naast de bestaande acties van de OECD middels de zogenaamde BEPS action plans, een extra initiatief van de Europese Unie om belastingontwijking aan te pakken. 

De finale versie van de Richtlijn omvat de volgende vijf maatregelen: 

1. Renteaftrekbeperking

Deze maatregel schrijft voor dat internationaal opererende ondernemingen maximaal 30% van hun EBITDA aan financieringskosten mogen aftrekken. Er is een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel geformuleerd. Op de eerste plaats is de eerste EUR 3 miljoen aan rente hoe dan ook aftrekbaar, ongeacht de omvang van de EBITDA. Ten tweede mogen Lidstaten kiezen om in hun nationale wetgeving één van twee beschikbare tegenbewijsmogelijkheden op te nemen. De eerste is gebaseerd op de verhouding tussen het eigen vermogen en de totale activa van de groep. De tweede is gebaseerd op de EBITDA van de groep waartoe de belastingplichtige behoort. Lidstaten mogen daarnaast de toepassing van de renteaftrekbeperking uitsluiten voor leningen die zijn aangegaan vóór 17 juni 2016 en voor leningen die zijn aangegaan ter financiering van bepaalde publieke infrastructurele projecten. 

2. Exitheffing

Deze maatregel is erop gericht te voorkomen dat bedrijven bepaalde activa onbelast verplaatsen naar een ander land, waar deze activa laag belast zouden kunnen renderen. Dit betekent dat Lidstaten belasting moeten heffen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de fiscale boekwaarde van het activum zodra dit activum verplaatst wordt naar een andere Lidstaat of een derde land. Daar staat tegenover dat de Lidstaat die het activum ontvangt, zal moeten toestaan dat de boekwaarde van het activum gelijk is aan de waarde die gehanteerd is om de exitheffing te berekenen. Op deze manier wordt veilig gesteld dat in de ontvangende Lidstaat een hoger afschrijvingspotentieel wordt geboden.

3. Algemene anti-misbruikbepaling

Deze algemene anti-misbruikbepaling voorkomt dat belastingplichtigen kunstmatige constructies opzetten met als voornaamste doel het besparen van belasting. Deze bepaling is vergelijkbaar met de bewoording en strekking van een anti-misbruikbepaling die met ingang van 1 januari 2016 in de EU Moeder-dochter Richtlijn is opgenomen.

4. CFC (Controlled Foreign Company) maatregel

Er is sprake van een belang dat kwalificeert als CFC indien een belastingplichtige uit een Lidstaat een belang van minimaal 50% houdt in een in het buitenland gevestigde entiteit of in een vaste inrichting, en de betaalde winstbelasting in het land van vestiging van die entiteit of vaste inrichting minder is dan 50% van de belasting die betaald zou worden indien die entiteit of vaste inrichting gevestigd zou zijn in de Lidstaat. Lidstaten van de belastingplichtige die een belang in een CFC houdt, gaan aanvullende belasting heffen over (optie a) bepaalde soorten (door de CFC) niet uitgekeerd (passief) inkomen, zoals rente, royalty’s en dividenden, of (optie b) over niet-uitgekeerd inkomen dat is ontstaan als gevolg van onzakelijk handelen met slechts ten doel een belastingvoordeel te verkrijgen. Indien aangetoond kan worden dat de CFC substantiële economische activiteiten ontplooit, daarbij ondersteund door personeel, apparatuur, activa en kantoorruimte, zal de CFC regelgeving niet van toepassing zijn op Lidstaten die hebben gekozen voor optie a. Ook voor optie b geldt een uitzondering, waarbij het met name van belang is waar de zogenaamde ‘significant people’s function’ zich bevindt. 

5. Hybride mismatches

In het internationale fiscale speelveld is het mogelijk dat Lidstaten een verschillende fiscale kwalificatie geven aan bepaalde rechtsvormen of financieringsvormen, als gevolg waarvan er ofwel dubbele aftrek ontstaat, ofwel een aftrek in de ene Lidstaat zonder congruerende belastingheffing in de andere Lidstaat. De voorgestelde maatregel repareert deze mismatches door de aftrek niet langer toe te staan.

Inwerkingtreding

De Richtlijn moet nog formeel goedgekeurd worden door de regeringsleiders van de Lidstaten, maar dit is naar verwachting slechts een formaliteit. De Richtlijn schrijft voor dat Lidstaten de regelgeving uit de Richtlijn in hun nationale wetgeving moeten hebben geïmplementeerd op uiterlijk 1 januari 2019. Voor de exitheffing geldt een ruimere termijn voor inwerkingtreding, namelijk uiterlijk 1 januari 2020. Lidstaten die reeds nationale regelgeving hebben die grondslaguitholling en winstverschuiving tegengaat op een manier die net zo effectief is als de voorgestelde renteaftrekbeperking, mogen deze regelgeving handhaven en hoeven geen renteaftrekbeperking conform deze Richtlijn te implementeren tot uiterlijk 1 januari 2024.