Op 16 april 2016 wees de Hoge Raad een arrest over het dwangsomverbod dat is opgenomen in artikel 611a lid 1 Rv. In dat artikel is opgenomen dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

Het geschil De zaak ging over een koopovereenkomst die was gesloten met betrekking tot een aantal percelen in Limburg. De levering die stond gepland op 31 december 2008 kreeg geen doorgang. Daarop vorderde de verkoper in rechte dat de koper zou worden veroordeeld tot medewerking aan het verlijden van de transportakte, alsmede tot betaling van de koopprijs, dit op straffe van een dwangsom.

Rechtsvraag De vraag speelde of in een dergelijk geval het dwangsomverbod van artikel 6:111a lid 1 Rv geldt.

Oordeel Hoge Raad De Hoge Raad oordeelde dat het dwangsomverbod zich niet voordeed, ook niet voor wat betreft de verzochte veroordeling tot het verlenen van medewerking aan de betaling van de koopsom.

Evaluatie De motivatie is dat de strekking van artikel 6:111a lid 1 Rv met zich meebrengt dat deze bepaling alleen is geschreven voor gevallen waarin voldoening kan worden bewerkstelligd door rechtstreekse executie. Dat ziet op situaties waar er alleen betaald dient te worden en niet ook het verlenen van medewerking aan het verlijden van de transportakte vereist is. Ook in vastgoedtransacties is de dwangsom dus een nuttig instrument.

Inhoudsopgave