Er is geen goede reden om de maxima voor kartelboetes te verhogen. Toch beslist de Tweede Kamer hierover op 24 november. Stemt de Kamer met het voorliggende wetsvoorstel in, dan kan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voortaan boetes opleggen tot een maximum van € 900.000 (nu € 450.000) of — indien dat meer is — 40% van de jaarlijkse concernomzet (voor inbreuken die vier jaar of langer hebben geduurd, is dat nu maximaal 10% ongeacht de duur). Binnen de Haagse politiek bestaat voor het voorstel enthousiasme.

Wij delen dit enthousiasme niet en maken ons zelfs grote zorgen. Waarom zou deze drastische verhoging nodig zijn? De minister van EZ meent op grond van onderzoek dat de huidige boetes bedrijven niet voldoende zouden afschrikken. Dit onderzoek toont feitelijk echter niet meer aan dan dat de ACM in slechts 7 of 8 zaken boetes moest verlagen om het huidige boetemaximum van 10% van de concernomzet niet te overschrijden. Dit betekent natuurlijk niet dat bedrijven deze boetes niet als afschrikwekkend hebben ervaren.

Onze praktijkervaring is totaal anders: bedrijven zijn beducht voor de huidige boetes en zitten in zak en as als de boetes vallen. Bovendien geldt dat als een bedrijf meer dan één overtreding tegelijk begaat, de ACM ook twee of meer (maximale) boetes tegelijkertijd mag opleggen. Dit gebeurt ook. Daarnaast kan de ACM substantiële persoonlijke boetes aan leidinggevenden opleggen, waardoor zij hard in hun eigen portemonnee worden geraakt en hun reputatie wordt geknakt. Daarbij komt nog alle reputatieschade voor de onderneming. Verder neemt de kans op civiele schadeclaims tegen (vermeende) kartellisten alleen maar toe. Kortom: de tanden van de ACM worden gevreesd en zijn al scherp genoeg!

Bovendien zijn er andere redenen  waarom  het  wetsvoorstel  een  slecht  idee  is. Allereerst  gaat het Nederlandse boetebeleid uit de pas lopen bij het EU-beleid en het nationale beleid in de ons omringende landen. De minister pareert die kritiek met de dooddoener dat er geen formeel Europees convergentiebeleid is. Hij vergeet daarbij dat de voorgenomen verhoging tot onwenselijke uitkomsten kan leiden bij grensoverschrijdende kartels. Een grensoverschrijdend effect wordt snel aangenomen en dan kunnen zowel de Europese Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten tegen het kartel optreden. Wordt het voorstel wet, dan moeten kartellisten dus hopen dat de Europese Commissie — die blijft gebonden aan een bovengrens van 10% van de concernomzet — en niet de ACM aanklopt. Het Nederlandse bedrijfsleven dreigt hierdoor onevenredig zwaar te worden getroffen in vergelijking met de buitenlandse concurrentie. Die krijgt immers zelden met de ACM te maken. Hetzelfde geldt meestal voor internationale kartels waarbij multinationals zijn betrokken.

Er zijn meer redenen waarom vooral de minder grote ondernemingen met een beperkt productportfolio de meeste pijn zullen ondervinden van de verhoging. Kartelboetes worden (tot het maximum) berekend op basis van de omzet behaald met de kartelproducten. Bedrijven die maar één product maken, zullen daarom sneller aanlopen tegen het wettelijk maximum van de totale omzet dan bedrijven met een breed productaanbod. Voor die bedrijven heeft een stijging van het boetemaximum van 10% naar 40% verstrekkende gevolgen. Verder wordt het mkb buitengewoon hard getroffen door het nieuwe absolute boetemaximum. Bedrijven waarvoor € 900.000 meer is dan 40% van hun jaaromzet, kunnen relatief zwaarder worden beboet. Ten slotte raakt de verhouding zoek met de geldboetes voor economische delicten (maximaal € 81.000 of 10% van de jaaromzet van de rechtspersoon — dus niet het hele concern zoals in het mededingingsrecht).

In onze kritiek staan wij niet alleen. Naast bijvoorbeeld de Raad van State heeft zelfs bestuursvoorzitter Chris Fonteijn van de ACM (die de wet nota bene moet uitvoeren), meermalen zijn bedenkingen geuit over dit wetsvoorstel. Samengevat: er zijn geen goede redenen om de boetemaxima te verhogen, terwijl er tal van redenen zijn om er vanaf te zien en de toezichthouder zelf hier niet op zit te wachten.

Dit artikel is op 23 november tevens in het Financieel Dagblad verschenen.