Is uw onderneming één van de 3000 “grote ondernemingen” waarvoor een energie-auditverplichting geldt? Dan moet u ervoor zorg dragen dat deze energieaudit uiterlijk op 5 december 2015 is uitgevoerd. Dit volgt uit de Energy Efficiency Directive (EED). In dit blog bespreken wij een aantal praktische aandachtspunten om (nog snel) te controleren of de auditplicht op uw onderneming van toepassing is.

Criteria voor grote onderneming zijn gauw vervuld

De energie-auditverplichting geldt alleen voor “grote ondernemingen”. Dit zijn de ondernemingen die geen kleine of middelgrote ondernemingen zijn. Dit wordt omschreven in de EED, waarin wordt verwezen naar de Aanbeveling betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/261/EG). Kort gezegd gaat het bij grote ondernemingen om ondernemingen waar meer dan 250 personen werkzaam zijn, en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen overschrijdt. Bovendien bepaalt de Aanbeveling dat voor de berekening (van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen) ook verbonden en partnerondernemingen in aanmerking moeten worden genomen. Hierop dient men alert te zijn. Hierna wordt nog nader ingegaan op deze criteria.

De Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (Tijdelijke regeling) vormt de Nederlandse implementatie van de EED. Hierin staat tevens dat de verplichting alleen geldt voor een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (zie artikel 1 sub h). Dit is “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”. Een typisch voorbeeld hiervan is een fabriek, maar ook een kantoorpand valt hieronder.

Meerdere kleine of middelgrote vestigingen kunnen samen een grote onderneming vormen

De RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, vallend onder het ministerie van Economische Zaken) heeft een FAQ-document gepubliceerd inzake de EED. Hoewel de richtlijn leidend blijft, geeft dit document wel enige indicatie hoe de Nederlandse overheid de EED interpreteert. Het FAQ-document vermeldt dat wanneer wordt beoordeeld of een onderneming groot is, er gekeken moet worden naar alle onderliggende vestigingen (inrichtingen). Ter verheldering kan worden gedacht aan de te verkrijgen bedrijfsprofielen via de Kamer van Koophandel. Dat strookt in beginsel ook met de definitie in de hiervoor aangehaalde Aanbeveling.

Bijzonder is wel dat volgens de Nederlandse Tijdelijke regeling niet alleen sprake moet zijn van een onderneming, maar ook van een inrichting die tevens is aan te merken als een onderneming. Dit roept de vraag op hoe moet worden omgegaan met een onderneming die verschillende inrichtingen heeft; geldt de auditplicht dan voor de inrichting (de specifieke vestiging), of voor de onderneming?

De RVO stelt dat zelfs indien geen van de onderliggende vestigingen (inrichtingen) individueel voldoen aan de drempelwaarden, maar wel gezamenlijk, er een auditplicht geldt voor de onderneming en voor alle onderliggende afzonderlijke inrichtingen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat volgens de RVO een onderneming met meerdere vestigingen in principe afspraken mag maken met het bevoegd gezag over een “gezamenlijke aanpak”. In het gezamenlijk verslag van de energie-audit (hetgeen moet worden onderscheiden van de audit) moeten de verschillende inrichtingen wel herkenbaar zijn. Zoals hiervoor vermeld lijkt deze interpretatie ons in lijn met de Europese richtlijn. De tekst van de Tijdelijke regeling is echter verwarrend.

Mocht uw bedrijf onderdeel zijn van een internationaal concern dan kan hierbij worden opgemerkt dat volgens het FAQ-document alleen de Nederlandse vestigingen hoeven te worden meegeteld.

Een vrijstelling voor één vestiging geldt niet voor de rest van de onderneming

Voor veel grote ondernemingen geldt de auditverplichting niet, omdat zij al een audit hebben uitgevoerd in het kader van de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie 2001-2020 (MJA3) of de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE). Ook geldt de auditplicht niet voor bedrijven die beschikken over een internationaal erkend energie- of milieubeheerssysteem. Ten slotte staat er een vrijstelling opgenomen in artikel 7 van de Tijdelijke regeling, waarin is bepaald dat een onderneming die op grond van artikel 2.15, tweede lid, van het Activiteitenbesluit reeds een energieonderzoek heeft verricht, gedurende vier jaar na de totstandkoming van dat onderzoek is vrijgesteld.

Ondernemingen die deels vallen onder een uitzondering, kunnen echter niet achterover gaan zitten. Zoals gezegd, kan een onderneming namelijk uit verschillende vestigingen bestaan. Het geval kan zich voordoen dat sommige vestigingen van de onderneming wel zijn toegetreden tot de MEE, maar andere niet. Voor deze laatsten geldt dan nog de auditplicht conform de systematiek van de regeling. RVO neemt in ieder geval dit standpunt in. Hierop moet men bedacht zijn.

Concluderend

Alertheid is dus geboden bij de vraag of er voor uw onderneming (en onderliggende vestigingen) een auditplicht geldt. Mocht u er nu achter komen dat voor (delen van) uw onderneming toch een energie-audit moet worden opgesteld, dan is het zaak om snel in actie te komen. Op 5 december aanstaande moet de audit namelijk al zijn uitgevoerd, waarna het binnen vier weken moet zijn toegezonden aan het bevoegd gezag. Voor de eisen die aan een energie-audit worden gesteld, verwijzen we naar de EED (bijlage VI).