In een recente uitspraak van de Afdeling staat de vraag centraal of invordering van verbeurde dwangsommen op haar plaats is. De burger in kwestie voert een viertal verweren waarom dat volgens hem niet het geval is. De Afdeling oordeelt echter dat geen van de verweren leidt tot het oordeel dat niet (geheel) kan worden ingevorderd. Hierop gaan wij in deze blog nader in.

Aanleiding

Het College gelast in deze zaak de burger om op straffe van een dwangsom een carport te verwijderen en verwijderd te houden. De burger voldoet binnen de begunstigingstermijn gedeeltelijk aan de last; hij verwijdert namelijk een deel van de carport. Voor het andere deel vraagt hij een omgevingsvergunning aan. Het College verleent de vergunning. Aangezien de vergunning te laat is aangevraagd, wordt deze verleend als de begunstigingstermijn is verstreken.

De burger meent dat hij heeft voldaan aan de last; enerzijds heeft hij een deel verwijderd binnen de daartoe gestelde termijn, anderzijds heeft hij het andere deel gelegaliseerd door een omgevingsvergunning aan te vragen die is verleend (zij het buiten de begunstigingstermijn). Het College is een andere mening toegedaan en gaat over tot handhaving. Het College verklaart het ingestelde bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van de burger echter gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar en herroep het invorderingsbesluit.

Verweren van de burger

Het College gaat in hoger beroep en de burger dient een verweerschrift in. De burger meent namelijk dat het College niet tot invordering had kunnen overgaan, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. Waar de rechtbank oordeelt dat de invorderingsbeschikking deels moest worden vernietigd, oordeelt de Afdeling dat geen reden bestaat om van invordering af te zien.

De burger voert een aantal verweren met betrekking tot het standpunt van het College dat het van invordering niet hoefde af te zien. Hieronder zijn de verweren bondig opgenomen en voorzien van het bijbehorende oordeel van de Afdeling.

Verweer 1: Aan de last is volledig voldaan, zij het gedeeltelijk na het verstrijken van de begunstigingstermijn; niettemin bestaat er geen reden om tot invordering over te gaan.

Oordeel Afdeling: Het na de begunstigingstermijn voldoen aan de last is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan van invordering moet worden afgezien. Hierbij verwijst de Afdeling naar vaste jurisprudentie: ECLI:NL:RVS:2012:BX7685.

Verweer 2: Aan de last is gedeeltelijk in ieder geval tijdig voldaan, dit is reden om de in te vorderen dwangsom te matigen en dus gedeeltelijk in te vorderen.

Oordeel Afdeling: Het gedeeltelijk voldoen aan de last binnen de begunstigingstermijn is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan van invordering moet worden afgezien. Hierbij verwijst de Afdeling naar vaste jurisprudentie: ECLI:NL:RVS:2014:32.

Verweer 3: De burger mocht gerechtvaardigd vertrouwen op de toezeggingen van een behandelend ambtenaar dat geen haast bestond om de omgevingsvergunning aan te vragen.

Oordeel Afdeling: De Afdeling oordeelt dat onvoldoende concrete en ondubbelzinnige uitlatingen zijn gedaan op basis waarvan de burger mocht vertrouwen dat het College niet tot invordering zou overgaan.

Verweer 4: Tot slot is invordering onevenredig, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de burger die zijn gelegen in de verzorging van zijn vrouw en zoon.

Oordeel Afdeling: Tot slot oordeelt de Afdeling dat de omstandigheid, dat de burger de verzorging draagt voor zijn vrouw en zoon en daardoor niet tijdig de omgevingsvergunning kon aanvragen, niet aan als een bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien.

Beeld in de praktijk

Gelet op de Afdelingsjurisprudentie over het wegens bijzondere omstandigheden afzien van invordering, zijn dit geen opzienbarende uitkomsten. In een noot die binnenkort in de JG (Jurisprudentie voor Gemeenten) verschijnt, geven wij een overzicht van de gevallen waarin een beroep op bijzondere omstandigheden wordt verworpen en van de enkele gevallen waarin zo een beroep wel gegrond wordt verklaard.