HR 9 JU­NI 2017, ECLI:NL:HR:2017:1055

In dit arrest heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of het hof de primaire dekkingsomschrijving heeft mogen uitleggen aan de hand van de uitsluitingsbepaling. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

Feiten en uitspraak hof Amsterdam

Verweerster in cassatie exploiteert een fabriek waarin bandstaal wordt verzinkt waarbij onder andere een inductieoven wordt gebruikt.

Verweerster heeft een machineschadeverzekering afgesloten met Delta Lloyd en HDI. Artikel 2.1 van deze verzekering bepaalt dat verzekerd wordt tegen iedere plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging aan de verzekerde zaak, ongeacht de oorzaak (inclusief een eigen gebrek). Artikel 3.9 bevat een uitsluitingsbepaling, waarin is bepaald dat van de verzekering onder andere is uitgesloten corrosie veroorzaakt door de gewone werking of het normale gebruik van de verzekerde zaak.

Op 17 mei 2006 vindt een lekkage in de inductieoven plaats. Uit onderzoek blijkt dat deze is veroorzaakt door corrosie die voortvloeit uit een ontwerpfout in de inductieoven. Verweerster stelt dat deze schade onder de polis is gedekt en vordert betaling onder de polis. Delta Lloyd stelt dat de schade niet onder de dekking valt, omdat de schade het gevolg is van een geleidelijk proces en daarmee niet aan artikel 2.1 van de verzekeringsvoorwaarden voldoet, en dat de als gevolg van corrosie ontstane schade op grond van art. 3.9 verzekeringsvoorwaarden van dekking is uitgesloten.

Naar het oordeel van het hof dient de vraag wanneer sprake is van een ‘plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging aan de verzekerde zaak ontstaan door onverschillig welke oorzaak’ als bedoeld in artikel 2.1, mede te worden beantwoord aan de hand van de uitsluiting in artikel 3.9. Volgens het hof brengen de bewoordingen van deze artikelen met zich dat artikel 2.1 dekking beoogt te bieden voor het spiegelbeeld van deze (uitgesloten) situatie, namelijk het geval dat de schade door iets anders is veroorzaakt dan door de gewone werking of het normale gebruik van de verzekerde zaak. De bewoordingen "plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging" moeten volgens het hof dan ook niet als afzonderlijke voorwaarde voor dekking worden gezien, maar tegengesteld aan geleidelijke schade vanwege de gewone werking of normaal gebruik. Nu volgens het hof vaststaat dat de corrosie voortkomt uit de ontwerpfout in de inductieoven en niet (enkel) uit de gewone werking of het normaal gebruik, verwerpt het hof het beroep van Delta Lloyd op uitsluiting van de dekking.

Hoge Raad

Delta Lloyd klaagt onder meer over de wijze waarop het hof artikel 2.1 van verzekeringsvoorwaarden heeft uitgelegd, dat het hof het belang van de dekkingsomschrijving heeft miskend en het hof zonder deugdelijke grond de zelfstandige betekenis aan de bewoordingen plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging in art. 2.1 verzekeringsvoorwaarden heeft ontnomen. De Hoge Raad acht deze klachten gegrond.

"3.3.2 […] Art. 2.1 verzekeringsvoorwaarden, dat bepaalt dat verzekerd is "iedere plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging aan de verzekerde zaak", behelst de (primaire) omschrijving van de dekking van de verzekering. Het oordeel van het hof dat de bewoordingen "plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging" niet als een afzonderlijke voorwaarde voor dekking moeten worden gezien, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk. Dat oordeel kan niet worden gedragen door art. 3.9 verzekeringsvoorwaarden, dat van dekking uitsluit corrosie die is veroorzaakt door de gewone werking of het normale gebruik van de verzekerde zaak. Daaruit volgt nog niet dat corrosie die een andere oorzaak heeft dan de in de uitsluiting genoemde, onder de (hiervoor weergegeven) omschrijving van de dekking van art. 2.1 valt en dat daarom geen afzonderlijke betekenis toekomt aan de bewoordingen "plotseling en onvoorzien". Dat volgt evenmin uit de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat niet ervoor is gekozen corrosie in art. 3.9 geheel van dekking uit te sluiten."

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof Amsterdam en verwijst het geding naar het hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.